Durf te twijfelen; Descartes' anti-autoritaire inslag

In de vierhonderd jaar die sinds zijn geboorte verstre­ken zijn, heeft René Descartes (1596-1650) grote furore ge­maakt, zowel in positieve als in negatieve zin. De golfbeweging die zijn faam heeft doorgemaakt laat zich het best beschrijven als 'Van mijl­paal tot pispaal en terug'. Door Voltaire werd hij nog gelau­werd als vrije geest par excellence, maar tegenwoordig neemt iedere cultuurdrager van formaat Descartes tot vertrek­punt van zijn of haar kritische beschouwingen.

Door René Gude

Zo nemen vrijwel alle grootheden uit Wim Kaysers postmoderne praatprogramma's Descar­tes stevig op de korrel. Volgens Daniel Dennett heeft de psy­chologie vier eeuwen vertraging opgelopen door Descartes' krankzinnige opvatting over de verhouding tus­sen lichaam en ziel. Stephen Toulmin ziet Descartes aan de wieg staan van alles wat lelijk is in onze kil rationele fin de siècle en Gabriel García Márquez meent dat Europa een vreugde­loze bende is geworden, sinds het cartesianisme de definitieve overwinning behaalde op het gepassioneerde machismo zoals dat in Latijns-Amerika nog volop heerst. Voor een Latino is Descar­tes volkomen fout. Pava noemen ze dat en dat is zoiets als vrijen met je sokken aan.

Al deze vernietigende uitlatingen over Descartes zijn in de late twintigste eeuw volkomen begrijpelijk. Descartes was nou een­maal de vader van de moderne filosofie en dus is iedere postmo­derne cultuurcriticus het aan zijn stand verplicht om Descartes als een definitief gepasseerd station ten tonele te voeren. Dat geeft een prettig gevoel van vooruitgang en ontwikke­ling.

 

Egotrip

Bovendien is Descartes voor critici van het ik-tijdperk een geschenk uit de hemel. Hij maakte inderdaad het privé-leven tot het ultieme uitgangspunt van alle wetenschap en levenswijs­heid. Hij pleegde bij voorkeur zelfonderzoek, legde zich een zelf­ontwikkelde methode op en vertrouwde uiteindelijk alleen zijn eigen oordeel. Zijn belangrijkste bevindingen schreef hij bo­vendien in de ik-vorm en hij voegde daar altijd een langere of kortere uitweiding over zijn levensloop aan toe. Zijn bekendste autobiografieën, Discours de la méthode (1637) en de Meditationes (1641), culmineren bovendien in het beruchte ‘ik denk dus ik ben’. Die man dacht alleen maar aan zichzelf en meende tot over­maat van ramp dat hij tijdens zijn enorme egotrip de sleutel tot een universele, algemeen menselijke leermethode gevonden had. Wij twintigste-eeuwse freudianen worden hier wat meewarig van en brengen de ­grootheidswaan geroutineerd in verband te brengen met het feit dat Descartes' moeder al vroeg overleed en zijn vader altijd afwezig was. Het riedeltje Cogito ergo sum reduceren wij al psychologiserend ­tot het credo van een autist die het mensdom met een zwaar overtrokken zelfbewustzijn heeft opgescheept.

Schelden op Descartes is dus een heel begrijpelijke mode en juist omdat het een mode betreft, is het zeer zeker van voor­bij­gaande aard. De stem­ming zal weer omslaan en zelfs, naar het zich laat aanzien, nog dit Descartes-jaar. Er komt een revival, 'een vernieuwde inte­res­se', 'een nieuwe lektuur' van Descartes. Het is ook al duidelijk dat Descartes, nu nog verguisd om zijn rigide rationalisme, zijn arrogantie en zijn belachelijke zelfingenomenheid,  straks vooral geroemd zal worden om zijn bescheidenheid, zijn gevoel voor proportie en zijn uiterst extraverte instelling en zijn liefde voor de mensheid. Dit soort omkeringen liggen nu eenmaal in de natuur der dingen besloten. Niemand houdt dat tegen. Het is de afgelopen vier eeuwen al regelmatig gebeurd. Ik ben er persoonlijk van overtuigd dat het aanstormende beeld van een weldenkende Descartes  meer in overeenstemming is met de werkelijkheid, dan dat van de geborneerde neuroot dat de afgelopen decennia overheerst heeft. Maar juist daarom wordt het extra intrigerend om te zoeken naar de reden waarom Descartes voortdurend in zijn privé-leven zat te roeren. Zijn belangrijkste boeken zijn inderdaad autobiografisch. Waarom toch? Paradoxaal genoeg omdat hij op zoek was naar gedeelde uitgangspunten in het sociale verkeer.

 

Descartes was ervan overtuigd dat alle mensen dezelfde hoeveelheid gezond verstand hebben. Iedereen kan voor zichzelf uitstekend beoordelen of iets waar is of onwaar. De problemen beginnen pas als meerdere mensen het met elkaar eens moeten zijn, hetzij in de politiek, in de wetenschap of in zaken. Een zekere overeenstemming is nou eenmaal nodig om betrouwbare afspraken te kunnen maken. Het is bovendien ook heel efficient om  af en toe eens iets van een ander te kunnen aannemen. Dan kun je de taken een beetje verdelen en hier en daar wat samenwerken. Maar juist als er overeenstemming nodig is, dan blijkt het ineens allejezus moeilijk te zijn om de noodzakelijke common ground te vinden, het vereiste gemeenschappelijke uitgangspunt.

Descartes was ervan overtuigd dat dat gemeenschappelijke uitgangspunt ligt in het zelfstandig  gebruik van het gezonde verstand. Gezond verstand hebben we allemaal in dezelfde mate, maar we gebruiken het allemaal anders. Iedereen maakt andere dingen mee en ieders gedachten volgen andere paden. En bovendien komt het gebruik van het verstand gedurende je leven maar moeizaam op gang. Het is niet bij onze geboorte al paraat. In de eerste jaren ben je aan je omgeving overgeleverd. We liggen in de wieg en laten ons maar zo’n beetje vertroetelen. Dat is een tamelijk zinnelijke aangelegenheid, van verstand is nog helemaal geen sprake. Spreken leren we pas later en dat gaat ook niet van de ene dag op de andere. We wouwelen eerst onze ouders een beetje na en hebben aanvankelijk nog niet echt een eigen mening. Onze hele lagere- en middelbare­­­schooltijd wordt toch vooral bepaald door het aanleren van be­staande conventies. Deze ontwikkeling is volkomen natuurlijk, er is ook niet aan te ontkomen, maar het gevolg is wel dat er een ­ratjetoe van onverenigbare indrukken en meningen ontstaat en dat je niet meer kunt uitmaken welke van al die half verworven, half zelf­verzonnen inzichten juist zijn. En het wordt er met het verstrijken van de tijd niet beter op. Het resultaat is dat iedereen zich dapper door voor- en tegenspoed heenslaat en daarbij links en rechts wat dierbare vooroordelen opdoet. Probeer al dat soort figuren maar eens op een lijn te krijgen in een bepaalde wetenschap of in een politieke partij. Dat is geen sinecure.

 

Toch ligt de oplossing nu voor de hand. Iedereen moet zijn eigen verstand gaan gebruiken. Descartes gaf de Verlichting een vliegende start, maar zijn strijdkreet was niet ‘Durf te weten’ zoals later bij Immanuel Kant, maar ‘Durf te twijfelen’. Dat klinkt misschien een beetje pervers, maar twijfel is volgens Descartes bij uitstek de koninklijke weg naar de waarheid.

Iedereen die de jaren des onderscheids bereikt heeft, moet de moeite nemen om zijn hele gammele samenraapseltje van chaotische indrukken, aangeleerde vooroordelen en eigen meninkjes eens tot op de grond toe af te branden. Je moet een gelegenheid zoeken om je tijdelijk aan het dagelijkse leven te kunnen onttrekken. In het normale dagelijkse verkeer kun je je beslissingen niet eindeloos uitstellenen in twijfel trekken. Je moet voortdu­rend knopen doorhakken, terwijl je duidelijk nemen, ondanks een evident gebrek aan informatie. Het leven eist beslissingen. Je kunt nooit lang besluiteloos blijven. Je bent zelden zeker van je zaak, maar je moet toch wat.

Als je buiten bereik bent van familie, vrienden en collega’s zet je de maalstroom van ambitie, verstrooiing, zorgen en hartstochten tijdelijk stil. Je manoevreert jezelf net even buiten het volle leven. Je trekt je bijvoorbeeld een midweekje terug in Cen­treparcs en maakt er een recreatief uitstapje, ogenschijnlijk alleen voor het lichaam, maar stiekem vooral voor je ziel. Zo zullen zelfs de buren geen argwaan koesteren en je gewoon met rust laten.

Het trucje van Des­cartes is nu dat je, als alle voorzorgen genomen zijn,  alle besluitvaardigheid laat varen. Je moet nu juist met al je slimme listigheid en zelfbedrog zo hard mogelijk gaan zitten te twijfelen. Ontsla jezelf eens van de dictatuur van je common sense en twijfel jezelf een slag in de rondte. Dus niet zomaar een beetje landerig zitten te dubben, maar alles syste­matisch en allesvernietigend afbreken. Dat is met recht de zinnen ver­zetten. Je bent er echt even helemaal uit. En het levert nog iets op ook, want je zult merken dat je met al je opzettelijke getwijfel stuit op iets wat zich verzet tegen je meest inge­nieuze pogingen. Er blijkt iets te zijn waar je niet aan kunt twijfe­len, ook al wil je nog zo graag. Je vermogen tot twijfelen schiet tekort als je eenmaal gestuit bent op het zinnetje ‘ik denk dus ik ben’. Het ‘cogito ergo sum’ is langzamerhand zo’n veelgeciteerd en afgetrapt cliché geworden dat je nauwelijks kunt geloven dat dit inzicht de doodsteek toebrengt aan de totale scepsis. Toch is het zo. Je kunt er niet aan twijfelen. En dat is niet misselijk.

Bovendien kun je al piekerend over het ‘cogito ergo sum’ nog een hoop te weten komen over dat ‘ik’, over jezelf dus. Je kunt het verschil tussen verbeeldingskracht en verstand aan den lijve ondervinden. Het wordt duidelijk dat de wil, de motor van alle kennis, sterker is dan het verstand. De intieme eenheid van lichaam en ziel komt ook als een paal boven water te staan: je moet lichaam en ziel natuurlijk wel onderscheiden (distinguer), maar je zult ze nooit kunnen scheiden (séparer). Kortom je komt op eigen kracht allemaal zaken tegen die je bij de ‘verstokte rationalist’ Descartes niet direct verwacht zou hebben.

 

Descartes heeft in zijn twee belangrijkste werken uitvoerig de zegeningen van het twijfelexperiment aangeprezen. Beide werken zijn door en door autobiografisch. Het Discours de la méthode (1637) is het beroemdst en bevat de meeste smeuïge details. De Meditaties (1641) zijn meer abstract en gaan steil de diepte in, maar je komt daar wel het verst mee. Descartes vertelt hoe het hemzelf  vergaan is, zonder een of andere methode te dicteren. Zoals bij een natuurkundige proefopstelling beschrijft hij zijn eigen experiment in de hoop dat andere onderzoekers zijn uitkomsten zullen testen en de resultaten bevestigen. Het project wordt geheel vrijblijvend aangeboden. Als je er iets in ziet, dan stap je erin. Als je er hal­verwege genoeg van hebt, dan stap je er weer uit. Er wordt niets bewezen (éprouver). Er wordt slechts van alles aangetoond (demontrer). Het is aan de lezer om stap voor stap de lol ervan in te zien. Je wordt nergens van overtuigd, je overtuigt jezelf.

Het experiment is bewerkelijk, maar het levert absoluut iets op. Je hoeft het bovendien maar één keer in je leven te doen. Het resultaat is blijvend. Je krijgt spierpijn van het nadenken, maar wat een kick.