Filosofische waarzeggerij

Dit artikel is verschenen in iFilosofie #66. Klik hier voor de volledige editie.

In Nederland koppelen we metafysica en epistemologie veelal aan de continentale traditie. Zo zal bij velen eerder een lichtje branden bij Levinas of Heidegger dan bij Chisholm of Lewis. Dat is jammer, want ook de analytische metafysica en epistemologie is rijk en charmant. De zinnen zijn helder, de voorbeelden aards en de werken zijn kort: een paper of af en toe een handzaam boek. Desondanks zijn de onderwerpen niet lichtvoetig. Zo wordt er ook hier gefilosofeerd over de dood, identiteit of God. René van Woudenbergs De toekomst is geen vreemde. Waarom er meer zeker is dan wij denken past in het rijtje van analytische filosofie die zich bezighoudt met grotere onderwerpen: het boek onderzoekt de betrouwbaarheid van toekomstvoorspellingen. Zijn heldere analyse levert heldere inzichten maar ook discussie op.

Tekst: Quintus Masius

René van Woudenberg staat in de traditie van protestants-analytisch filosofen. Hij is hoogleraar metafysica en epistemologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en leidt daar het Abraham Kuyper Centre for Science & Religion. Binnen de protestants-analytische traditie vallen twee aspecten op: de common-sensefilosofie en de Nederlandse inslag. De common-sense-traditie leunt sterk op de methodiek van de Schotse Verlichtingsfilosoof Thomas Reid. Deze methodiek stelt dat enkele fundamentele beginselen zoals causaliteit of logica inherent zijn aan alle mensen en hierom als filosofisch uitgangspunt dienen te worden genomen. De waarheid ligt op straat, maar deze wordt volgens deze traditie geperverteerd door filosofen die haar problematiseren; als voorbeeld noemt Reid Descartes’ demon of Hume’s radicale scepticisme.

Ten tweede valt de Nederlandse insteek op. Zijn het niet de Nederlandse achternamen van de belangrijkste vertegenwoordigers (Plantinga, Van Inwagen, Frankena, Jellema), dan is het wel hun betrokkenheid bij Nederlandse protestantse universiteiten. René van Woudenberg past moeiteloos in dit rijtje. Ook Van Woudenberg neemt de common-sensefilosofie van Reid als uitgangspunt. Vanuit dat perspectief probeert Van Woudenberg iets concluderends te vertellen over betrouwbare toekomstvoorspellingen.

Engeland bestaat niet

In Tom Stoppards toneelstuk Rosencrantz and Guildenstern Are Dead betwijfelen de hoofdpersonen of Engeland wel bestaat en niet ‘just a conspiracy of cartographers’ is. Waar ik voorheen moest gniffelen om dit soort scepticisme, hebben dit soort figuren vandaag – als ze het een beetje goed aanpakken – een succesvol Telegram-kanaal of een academische carrière als sceptisch filosoof. Van Woudenberg gruwt van dit soort waanideeën en beargumenteert tegenover deze Shakespeareaanse bijfiguren dat ze op grond van common-senseonderzoek erachter kunnen komen dat Engeland bestaat en ook in de nabije toekomst hoogstwaarschijnlijk zal bestaan. Natuurlijk kan Engeland morgen worden opgeslokt door de zee of qua naam veranderd worden in ‘Limeyland’, maar die kans is verwaarloosbaar klein. Ontkennen dat Engeland bestaat is volgens Van Woudenberg niet alleen epistemisch onwenselijk, maar ook moreel verwerpelijk, omdat je jezelf een gevoel of houding toe-eigent die niet passend is. Nu zal de ontkenning van Engeland weinig morele consequenties hebben, maar de ontkenning van de CO2-problematiek, de Holocaust, een groeiende inkomenskloof of een epidemie hebben die natuurlijk wel. Andersom bepalen waarheden wél wat mensen als zeker mogen ervaren. Wanneer er bijvoorbeeld een wiskundig bewijs wordt ontdekt (een waarheid), dan mogen mensen aannemen dat dit bewijs ook in de toekomst geldt (een zekerheid).

Volgens Van Woudenberg zijn de waarheid (het empirisch bestaan van een eiland) en conventies (een stuk land dat we ‘Engeland’ noemen) niet de enige bronnen voor toekomstige zekerheden. Naast de waarheid stelt Van Woudenberg dat zekerheden ook op andere bronnen gestoeld kunnen worden. Zo stelt hij dat op grond van principes, waarschijnlijkheden en beloftes ook zekerheden kunnen ontstaan. Met enige zekerheid kun je stellen dat de Holocaust ook in de toekomst als moreel afkeurenswaardig wordt beschouwd, kleding van vandaag morgen ook nog wel past, en mijn verjaardag volgende maand gevierd gaat worden. Maar Van Woudenberg beargumenteert ook dat de ene kans de andere niet is: zo is, bijvoorbeeld, de zekerheid dat ik in juni 2023 mijn ouders nog respecteer groter dan dat de aangekondigde Europese tour van Iron Maiden van start gaat. Interessant blijft om te lezen hoe Van Woudenberg deze nuances in kaart brengt en met aansprekende voorbeelden komt hij hier tot een goed navolgbaar epistemologisch systeem.

Kritiekpunten

Toch overtuigen Van Woudenbergs analyses niet altijd. Zo stelt hij dat wetten puur beschrijvend zijn, weinig veroorzaken en daardoor enige zekerheid geven. Zo’n rechtspositivistische opvatting is controversieel. Allereerst steggelen juristen over zowat elk woord binnen een rechtsregel en kunnen interpretaties waar voorheen consensus over heerste veranderen. Daarbij zijn wetten veelal politieke uitdrukkingen die ook telkens veranderen. Dat Nederlanders, bijvoorbeeld, hun hypotheekrente mogen aftrekken van hun belastbaar inkomen geeft de intentie van de overheid weer (e.g. huizenbezit stimuleren, huizenbezitters privilegiëren), als wel de gewenste (e.g. middeninkomens die huizen kopen) en ongewenste effecten (e.g. hoge huizenprijzen). Daarbij vind ik zijn beschrijving van Reids ‘zekere metafysische principes’ soms problematisch. Hoewel sommige principes overtuigen (e.g. dat het verleden is niet veranderbaar is), heb ik twijfels ten aanzien van andere opgevoerde metafysische principes. Zo introduceert Van Woudenberg het principe van de toereikende grond dat, kort gezegd, inhoudt dat niets ontstaat zonder oorzaak. Hoewel dit misschien op common-senseniveau logisch lijkt, stellen zowel de westerse als Arabische metafysica dit principe in vraag. Nu er ook kwantumtheorieën zijn die deze stelling problematiseren, is zo’n principe minder gelukkig gekozen. Ten slotte mag Van Woudenberg de ethische dimensie wel wat sterker neerzetten. Hij behandelt in welke situaties een zekere toekomsthouding gepast is en wat we op grond hiervan mogen verwachten of hopen. Toch zijn dit niet de enige disposities die kunnen volgen uit toekomstige zekerheden: je zou bijvoorbeeld ook ambities kunnen vormen of kiezen om onverschillig te zijn. Omdat De toekomst is geen vreemde hierover geen duidelijk ethisch standpunt neerzet, blijft het voor de lezer gissen waarom verwachtingen en hoop Van Woudenbergs voorkeur genieten. Dit levert vooral vragen op bij de maatschappelijk relevante voorbeelden in het boek. Zo is het een toekomstige zekerheid dat het ten koste zal gaan van de planeet als we onze omgang met fossiele producten niet veranderen. Deze zekerheid ontkennen wijst Van Woudenberg af, maar onduidelijk blijft het welke dispositie dan wel de voorkeur zou moeten hebben. Zo verwacht of hoopt de ene burger dat de politiek met een oplossing komt, terwijl de ander een ambitie ontwikkelt om te minderen met fossiele producten, en een laatste onverschillig blijft. Welke voorkeur de beste is, wordt bepaald door ethische discussies en deze ontbreken veelal in De toekomst is geen vreemde.

Een sterk boek

Ondanks bovenstaande kritiekpunten is De toekomst is geen vreemde een interessant boek. Het betoog is goed te volgen en Van Woudenberg argumenteert helder. Omdat Van Woudenberg voorbeelden uit zijn eigen leven invoegt, leest het boek bovendien als een persoonlijke zoektocht. Dit is aantrekkelijk, maar kan soms ook voor aansluitingsproblemen zorgen. Als niet-gelovige zegt een voorbeeld van David en Batseba mij niet zoveel en deelt niet iedereen Van Woudenbergs respect voor ARP-voorman Pieter Sjoerds Gerbrandy. Maar deze kritiekpunten zijn klein bier. Van Woudenberg steekt zijn onderzoeksvraag vanuit een protestants-analytische traditie in. Dat is niet verrassend gezien Van Woudenbergs achtergrond, maar daardoor laat hij wel andere tradities die over toekomstzekerheden gefilosofeerd hebben achterwege.

Sympathiek aan De toekomst is geen vreemde is dat Van Woudenberg zijn betoog koppelt aan actuele onderwerpen zoals het klimaat en inkomensongelijkheid. Toch ligt de kracht van het boek meer in de conceptuele analyses. Je merkt dat Van Woudenberg hier op zijn plek is omdat hij met veel flair en sprekende voorbeelden zijn argumentatie weet op te zetten. Hiermee weet hij moderne metafysica en epistemologie binnen de analytische traditie toegankelijk te maken voor een breed publiek. Toch is het boek geen inleiding, maar blijft het een verdediging van een metafysische stelling. De combinatie van toegankelijke schrijfstijl en filosofische rigiditeit maakt van De toekomst is geen vreemde een boek dat zowel buitenstaanders als deskundigen kan aanspreken.

René van Woudenberg, De toekomst is geen vreemde. Waarom er meer zeker is dan wij denken. Utrecht: Kok Boekencentrum, 2022.