Filosoof Clint Verdonschot doceert deze zomer de summerschool ‘Politiek en esthetiek’. Politiek en kunst zijn innig verbonden, maar is dat wenselijk? In dit eerste deel van een tweeluik pleit Verdonschot voor een nieuwe avant-garde.
Tekst: Clinton Peter Verdonschot
Kunst is quasi-politiek, en politiek is quasi-kunst. We leven in een tijd waarin de twee zo innig met elkaar verbonden zijn dat hun grenzen vervagen, en daar moeten we ons zorgen om maken. De uitholling van kunst door politieke doelstellingen verarmt onze horizon, en de vernauwing van de politiek tot een toneelspel van politieke elites is een manier om democratische participatie te ontmoedigen. Toch ligt het niet voor de hand dat we moeten terugkeren naar een gouden verleden waar politiek nog om politiek draaide, en kunst nog voor de kunst was. Dat is niet alleen een sterk geïdealiseerd beeld van het verleden van politiek én kunst, maar ook een onnodig conservatieve instelling die ons niet in staat stelt om lessen te trekken uit de problemen van deze tijd. Pas als we dat doen, kan kunst een vrijplaats worden van individuele, maar vooral ook collectieve verheffing, en politiek een praktijk waarin alle macht aan alle mensen toebehoort. In dit eerste deel bespreek ik de hedendaagse kunst, in het volgende de politiek.
Als je een museum van hedendaagse kunst binnenstapt, kun je er gewoon niet omheen dat alle kunst vandaag de dag gemarineerd wordt in een activistisch sausje. Daarmee wil ik niet zeggen dat kunstwerken soortgelijk zijn aan, bijvoorbeeld, vakbondswerk, huurdersactivisme, of de opbouw van een politieke partij. Het activisme van kunst heeft eerder de status van een kritisch geluid, een persoonlijk commentaar dat zich tegelijkertijd afzijdig dient te houden van open steun aan bestaande politieke of sociale projecten. We verwachten van een kunstenaar engagement maar geen propaganda. We verwachten dat een kunstenaar een persoonlijk, uniek perspectief aanreikt waarover we kunnen reflecteren maar wat we net zo makkelijk ook weer achter kunnen laten zodra we de tentoonstelling verlaten.
Dat kunst deze quasi-politieke vorm heeft gekregen, heeft hele mundaine oorzaken. Bedenk je eens hoe kunstenaars opgeleid worden: sinds de avant-gardisten van begin 20e eeuw zijn kunstacademies radicaal van opzet verandert. Vroeger gaven zij streng en bloedeloos onderwijs in een bepaalde stijl van kunstzinnige productie, tegenwoordig draait alles om het ontwikkelen van de ‘stem’ van de maker. In navolging van de avant-garde wordt nu ruim baan gegeven aan creativiteit en originaliteit. Tegelijkertijd zijn er ook cruciale verschillen met de avant-garde. Veel avant-gardisten waren autodidact en zetten zich expliciet af tegen het idee van de professionele kunstenaar die zich heeft laten opleiden. Bovendien hechtten zij, vanwege hun communistische overtuigingen, grote waarde aan de collectieve productie van kunst, de samenwerking met gelijkgezinden. De laat-kapitalistische tijd waarin we leven, en de marginalisatie van politieke projecten van collectieve bevrijding, hebben met die houding korte metten gemaakt. De hedendaagse kunstenaar is een onomwonden professional met, vaker dan niet, een hyperindividualistische kijk op de wereld.
Paradoxaal genoeg leidt de hedendaagse nadruk op de individuele stellingname van de kunstenaar niet tot een verrijking van onze politieke horizon. Integendeel, de boodschappen die kunst meedeelt, lijken generieker dan ooit terwijl omgekeerd hun presentatie meer dan ooit een spannend, visceraal, lichamelijk of psychologisch effect probeert te bewerkstelligen. Kunstwerken moeten we vooral beleven, ze hoeven ons niet aan het denken te zetten. De eerste filosoof die deze dynamiek beschreef was Theodor W. Adorno, die er de naam ‘cultuurindustrie’ aan gaf: een kunstpraktijk van inwisselbare werken met een gemakkelijk te consumeren boodschap en een opwindende zintuiglijke beleving. Adorno dacht daarbij vooral aan de populaire massakunst van zijn tijd. Maar zoals ook de literatuurwetenschapper Anna Kornbluh betoogt: deze imperatief van ‘onmiddelijkheid’, van directe zintuiglijke bevrediging en vlugge, ongehinderde consumptie van een boodschap, geldt vandaag de dag voor cultuur in het algemeen, zowel ‘hoog’ als ‘laag’.
Natuurlijk geldt dit niet voor alle hedendaagse kunst, en het is ook niet mijn bedoeling om deze kritiek te adresseren aan individuele makers. Bovendien denk ik dat we de quasi-politieke gestalte van hedendaagse kunst niet kunnen bestrijden op basis van een melancholisch verlangen naar de tijd voor de cultuurindustrie. Waar ik slechts op wil wijzen zijn de mogelijkheden die we zijn verloren toen de betekenis van de kunstzinnige avant-gardes werd teruggebracht tot het zijn van een creative. Natuurlijk is creativiteit een onmisbaar aspect van de kunst, maar voor de avant-gardisten waren minstens net zo belangrijk: de verheffing van hun publiek, voorbij de passieve houding van een consument, en het collectiviseren van het maakproces, voorbij het individualistische model van een kunstzinnige professional met een unieke kijk op de wereld. Vandaar mijn oproep: op naar een nieuwe avant-garde!
Dat is echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, omdat de maatschappelijke oorzaken die de cultuurindustrie hebben gecreëerd net zo aanwezig zijn vandaag als in Adorno’s tijd. Houd dit blog daarom in de gaten voor mijn volgende bijdrage, waarin ik inga op de politieke en sociale factoren die ervoor zorgen dat mensen zich vooral gedragen als passieve consumenten, in plaats van actieve deelnemers aan het maatschappelijke en politieke proces.

