Tim Fransen schreef in 2019 al eens het essay voor de Maand van de Filosofie. Nu heeft hij met In onze tijd. Leven in het calamiteitperk een lijvig boek geproduceerd, waarmee hij begin april de Socrates Wisselbeker won. Er zit veel kennis in dit boek verwerkt – zie het omvangrijke notenapparaat – en er spreekt oprecht engagement uit.
Door: Rogier van der Wal
Het boek vertrekt vanuit vooruitgangsoptimisme, dat in de jaren negentig van de vorige eeuw op zijn hoogtepunt was maar zich nog altijd in een royale mate van populariteit mag verheugen. Als je vakkundig met bepaalde grafieken goochelt (Tim laat in zijn nieuwste voorstelling Onbekommerd trouwens zien zelf ook heel aardig te kunnen goochelen), kun je duidelijk aantonen dat armoede en ondervoeding extreem afgenomen zijn en dat onze levensverwachting omhoog is geschoten. Maar dat is maar de halve waarheid.
Er zijn ook tegentrends waarneembaar die de andere kant op wijzen: niet voor niets hebben we op dit moment met meerdere crises naast elkaar te maken die ook nog op elkaar inwerken en elkaar versterken. In het boek worden de coronacrisis, de energiecrisis, de stikstofcrisis, de biodiversiteitscrisis, de klimaatcrisis, de zorgcrisis en de gevaarlijke geopolitieke situatie genoemd. Vandaar dus de term ‘Calamiteitperk’. Fransens diagnose van ons calamiteitperk berust op een drietal pijlers: technologische superkrachten, grootschalige natuurbeheersing en hyperconnectiviteit. Hij constateert dat we lang, wellicht al te lang, geloofd hebben in allerlei aannames en ideeën van hoe vooruitgang tot stand komt, wat hij een vooruitgangsideologie noemt.
Technologie, natuurbeheersing en hyperconnectiviteit
Sinds Prometheus het vuur stal van de goden hebben we veel bijgeleerd; je zou kunnen stellen dat we een onmiskenbaar talent hebben voor technologie. Helaas hebben we tegelijkertijd óók talent voor hybris, voor overmoed. Er zit naast een positieve namelijk ook een destructieve kant aan technologie: denk alleen al aan kernwapens. Of neem de enorme AI-ontwikkeling die is ingezet, waarvan de exacte uitkomsten nog onduidelijk zijn, maar bepaalde uitwassen, zoals deepfakes, al wel zeer troebel ogen. Fransen noemt technologie daarom een ‘tweesnijdend zwaard’.
In onze omgang met de natuur zien we pas goed de gevolgen van menselijke heerszucht en het beheersingsdenken. Daarin heeft de mens alles onder controle en mag die onbegrensd exploreren, ten koste van al het andere in de natuur. Fransen citeert hier met instemming de astrofysicus Reeves: ‘We verkeren in oorlog met de natuur. Als we winnen, zijn we verloren.’ De klimaatcrisis is, in combinatie met het verlies aan biodiversiteit, de ‘oppercalamiteit’ die de komende decennia jaarlijks 250.000 extra doden kan veroorzaken en ons op astronomische kosten zal jagen. In een vrij hoog tempo komen in dit hoofdstuk de blinde vlekken van ons vooruitgangsgeloof aan bod, zoals de gok van ‘groene groei’ en het wensdenken van de ecomodernisten, voor wie economische groei niet het probleem vormt, maar juist de oplossing. Fransen zet daar de urgentie van een rechtvaardige verdeling tussen en binnen landen tegenover.
Wat het allemaal nog een graadje erger maakt is onze hyperconnectiviteit. Gold de globalisering ooit als triomf, inmiddels hebben we tot onze schade ontdekt dat ook crises als de banken- of coronacrisis snel de wereld over reizen en dat een grote mate van verbondenheid tot nieuwe conflicten kan leiden. Zo komen we in een soort mondiale anarchie terecht, omdat we de krachten die we zelf hebben ontketend niet meer kunnen beheersen.
De brokstukken van het vooruitgangsgeloof
Hier maakt Fransen even pas op de plaats om in een intermezzo de brokstukken van het vooruitgangsgeloof te inspecteren. Ongelijk en spijt van Francis Fukuyama – die in 1992, bij het uitkomen van zijn beroemde boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, triomfantelijke van het einde van de geschiedenis afkondigde – zijn intussen voldoende breed uitgemeten. Van ons Westerse triomfalisme zijn we nu wel genezen. Fransen citeert Tony Judt, die constateerde dat we de twintigste eeuw uitkwamen met ‘een reeks halve waarheden die vooral het eigenbelang dien[d]en’. Moraal en rechtvaardigheid waren daarin opvallend afwezig. Inmiddels worden we in toenemende mate met instabiliteit en controleverlies geconfronteerd.
Wat staat ons nu te doen, willen we daar ooit aan ontsnappen?
Als je vrede wilt…
Die vraag brengt ons bij het tweede deel van Fransens betoog, waarin hij ons om te beginnen met onze neus drukt op de ‘losse mores’ die in Nederland heersen, met ‘vrijheid blijheid’ en non-interferentie als kernpunten. Hij betoogt dat ons vrijheidsbegrip is doorgeschoten en dat een algehele mentaliteitsverandering in de richting van meer gemeenschapsdenken en the common good een eerste stap zou zijn. Fransen schrijft: ‘Het besef dat we in hetzelfde schuitje zitten is een noodzakelijke voorwaarde om de liberale democratie overeind te houden, inclusief de vrijheden die zij ons gunt. Het in ere herstellen van vrijheid als collectief zelfbestuur is hierbij een essentiële stap.’
Als tweede element komt daar dan dus een sterker beleefd en ingevuld burgerschap bij. De liberale democratie, waarbij we één keer in de vier jaar een hokje rood kleuren, vraagt nu te weinig van ons. We zijn het brengen van offers voor het maatschappelijk belang verleerd en we zouden uit onze rol als consumenten van het overheidsaanbod moeten stappen. In plaats daarvan zijn we toe aan een nieuwe politieke orde met nieuwe vormen als burgerberaden in het hart, om werkelijke maatschappelijke veranderingen te kunnen realiseren. Dat model is eigenlijk al heel oud, zo laat Fransen zien aan de hand van de Atheense democratie. Hier sluit zijn pleidooi mooi aan bij recente boeken van Thijs Lijster (Wat we gemeen hebben) en Floor Ziegler en Teun Gautier (Een wereld van gemeenschappen) en bij eerdere pleidooien van Denker der Nederlanden David van Reybrouck (Tegen verkiezingen) en Eva Rovers (Nu is het aan ons).
Als derde element komen daar de juiste instituties nog bij, zoals eerlijkere belastingen, een aan de maatschappij dienstbare economie (in plaats van andersom) en wat Fransen ‘samenbindende vaderlandsliefde’ noemt. Fransen droomt ook van een wereldwijde grondwet, stoelend op vier S-woorden: supranationaal, subsidiair, stapsgewijs en solidair. Fransen stelt tegenover het heden ten dage weer vaak geciteerde si vis pacem, para bellum (‘Als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog.’) de spreuk die op het Haagse Vredespaleis staat: si vis pacem, cole iustitiam (‘Als je vrede wilt, cultiveer rechtvaardigheid.’). Bovendien wijst hij op de kracht van verbeelding en van verhalen, die imagined communities kunnen creëren en inspireren.
In de epiloog komen we uit bij de hoop, niet voor niets het enige dat overbleef in de kruik van Pandora nadat die was opengemaakt. Daarbij roept Fransen ons op om te waken voor valse hoop en voor passief optimisme: ondanks onze tekortkomingen zullen we uiteindelijk iets moeten doen – er staat veel op het spel. Wat een krachtig en hoopvol pleidooi! Dit boek verdient in mijn ogen serieuze studie en een groot lezerspubliek; de Socrates Wisselbeker gaat daar vast bij helpen. Na afloop van de voorstelling waar ik bij was gingen de boeken in elk geval als zoete broodjes over de toonbank.

Tim Fransen, In onze tijd. Leven in het Calamiteitperk. Amsterdam: Alfabet Uitgevers, 2024.

