We zijn de aarde vergeten, stelt David van Reybrouck in De wereld en de aarde. Hoe houden we het veilig? En nu juist de fysieke aarde onze mensenwereld aan het ontwrichten is, hebben we behoefte aan een nieuw soort politiek – een politiek die zich bekommert om de aarde, niet om de wereld.
Door: Domien Verbeek
De Denker der Nederlanden, zittend op de rand van zijn kinderbed met een plastic wereldbol in zijn handen – De wereld en de aarde opent met gevoel voor dramatiek. Het sluit goed aan bij de enorme ambitie die Van Reybrouck uitstraalt: zijn eerste boek als Denker wil ons complete wereldbeeld veranderen. De prelude van dit boek, en daarmee van het denkerschap dat Van Reybrouck de komende twee jaar mag gaan vormgeven, maakt één ding duidelijk: hij wil voorbij wereldse grenzen denken. Hij wil planetair denken.
En dat denken begint bij een onderscheid dat de plastic wereldbol illustreert: dat tussen wereld en aarde. Op het eerste gezicht laat die wereldbol ons vooral de natuur zien die onze planeet rijk is: de oceanen, bergketens, oerwouden – de aarde. Maar knippen we het lampje aan, dan lichten er ineens grenzen op, en kleuren en letters die verschillende landen aangeven: dat is de wereld. Van Reybrouck stelt dat we zijn vergeten dat de aarde meer is dan deze verzameling landen. We hebben onze eigen prestaties belangrijker gemaakt dan die van de planeet. We hebben de aarde vervangen door de wereld, en denken vanuit staatsbelang, niet vanuit het belang van de planeet. We verkiezen de politiek boven de natuur. Nu de natuur steeds harder terug begint te slaan, moeten we, bedolven onder het puin van klimaatrampen, dringend op zoek naar een alternatief: een aardepolitiek in plaats van een wereldpolitiek.
Samen voor ons eigen
Met aanstekelijk enthousiasme voor historische anekdotes laat Van Reybrouck ons zien wat die wereldpolitiek waar we van af moeten inhoudt. Hij laat zien hoe bepaalde ideeën uit de zeventiende en achttiende eeuw doorwerken in de moderne diplomatie. Neem bijvoorbeeld de raison d’État: een politiek waarin het eigenbelang van de staat voorop staat. Daar werd na de Napoleontische oorlogen en later de grote wereldoorlogen een meer multilaterale vorm aan toegevoegd om verdere conflicten te voorkomen en zie daar: de geboorte van de wereldpolitiek.
In zijn enthousiasme fietst Van Reybrouck nogal rap door de geschiedenis heen, waarbij hij zich sterk focust op één specifiek deel van de aardbol, dat er qua grenzen bovendien een aantal eeuwen geleden zeer anders uitzag dan nu. Maar deze lezing van de wereldgeschiedenis is wel illustratief voor waar de Verenigde Naties voor is opgericht: multilaterale dialoog tussen landen die vooral bezig zijn met hun eigen staatsbelang. ‘Samen voor ons eigen’, zoals Van Reybrouck het samenvat.
Het gaat daar om wereldpolitiek, zelfs als ze het over de aarde hebben. Voeg daar de verstorende factor van lobbyisten van bijvoorbeeld de industriële sector aan toe, en je hebt een tergend langzame besluitvorming. Na dertig jaar vergaderen is het COP, het hoogste beslisorgaan van het VN-klimaatpanel, niet verder gekomen dan slechts de uitgesproken wens om van fossiele brandstoffen af te komen. We bevinden ons midden in een enorme planetaire crisis, maar tot concrete actie komt het niet omdat niemand verder kijkt dan het eigen staatsbelang. Ons huis staat in de fik en wij staan toe te kijken, overleggend wie de brandslang oppakt.
Vérdenken
De ambities die Van Reybrouck heeft als denker worden pas echt duidelijk wanneer hij oplossingen aandraagt. Volgens hem hebben we een nieuw diplomatiek principe nodig. Niet een raison d’État maar een raison de Terre, een benadering waarin we de belangen van de aarde boven onze landsbelangen plaatsen. En de weg daarheen is simpel: meer mensen aan het woord laten. Uit peilingen van de VN zelf blijkt namelijk dat de wereldbevolking veel eensgezinder is over de noodzaak van het aanpakken van de klimaatramp dan de leiders die haar vertegenwoordigen. Wat hij voor zich ziet, is een wereldburgerberaad, waarin willekeurige burgers van over de hele wereld gezamenlijk een stem hebben in het klimaatbeleid. Een vorm van diplomatie waar niet het eigenbelang van elke staat voorop staat, maar het belang van de gehele planeet.
Wanneer het over burgerparticipatie gaat, kan Van Reybrouck zijn enthousiasme nauwelijks meer onderdrukken. De urgentie spat van de bladzijden: er moet nú iets gebeuren en dit is dé manier. Je merkt dat Van Reybrouck, die veel schrijft over democratische vernieuwing, zijn weg kent binnen dit onderwerp. In zijn eerdere boek Tegen verkiezingen (2016) pleit hij ervoor om onze representatieve democratie te vervangen door een systeem van loting, om zo iedereen aan het woord te laten. En ook in zijn twee hoofdwerken Congo (2010) en Revolusi (2020), waarin hij het koloniale verleden en de onafhankelijkheidsstrijd beschrijft van respectievelijk Congo en Indonesië, geeft hij ongehoorde stemmen het woord.
De raison de Terre past perfect binnen het motto dat Van Reybrouck heeft gekozen om de komende twee jaar denkerschap rond vorm te geven: vérdenken. Dat is: ‘naar het heden kijken vanuit de verre toekomst en vanuit het verre verleden’. Van Reybrouck wil de komende twee jaar kijken voorbij bestaande grenzen en sociale bubbels. Daarvoor is dit boek een goed begin. Het veegt het vuil van onze brillenglazen en laat ons inzien hoe ons zicht tot nu toe werd vertroebeld door de verkeerde zaken: ‘Wie alleen de wereld ziet, vergeet de aarde.’
Een wereld zonder aarde
Toch moeten we ons afvragen of het omgekeerde niet ook waar is. Is Van Reybrouck, tijdens zijn pleidooi voor de aarde, de wereld niet vergeten? Het hele boek lijkt te vertrekken vanuit de aanname dat er ‘geen wereldpolitiek kan zijn zonder aardepolitiek’, dat het ‘de aarde is die de wereld draagt’. Natuurlijk is het zo dat de natuurwetten die de aarde ontwrichten zich niks aantrekken van de politieke onrust van de wereld, maar het is tegelijkertijd zeer de vraag of er een aardepolitiek mogelijk is in tijden van grote politieke onrust. In Oekraïne of in Gaza zal de boodschap van Van Reybrouck weinig aanslaan: daar is de politieke wereld nu even belangrijker dan de fysieke aarde. Dat doet natuurlijk niets af aan Van Reybroucks pleidooi voor aardepolitiek, maar het levert wel interessante vragen op. Want in hoeverre is de mogelijkheid van aardepolitiek afhankelijk van de orde van de wereldpolitiek?
De wereld en de aarde is een aanstekelijk en prikkelend boek. Van Reybrouck doet precies wat je van de Denker der Nederlanden mag verwachten: hij zet de lezer aan tot denken, door zelf het goede voorbeeld te geven. Hij is niet bang om heilige huisjes omver te schoppen en rommelt graag aan ons wereld-, of beter: aardebeeld. Bovendien is het ontzettend prettig geschreven: wie nog niet overtuigd is door de inhoudelijke argumenten, raakt dat wel door de manier waarop Van Reybrouck het geluid van een instortende gletsjer beschrijft tijdens een wandeltocht in de Pyreneeën. Het maakt nieuwsgierig naar waar het planetaire denken van Van Reybrouck ons de komende twee jaar nog gaat brengen.

David van Reybrouck, De wereld en de aarde. Hoe houden we het veilig?. Amsterdam: De Bezige Bij, 2025.
