Door: René ten Bos
“Of, eenvoudiger geformuleerd, blijft de democratie niet onvermijdelijk verbonden met de schok van haar mislukking die ze, vermoeid als ze is door alle auto-immune strijd die ze moet leveren, slechts eventjes weet uit te stellen?”
Hier spreekt filosofe en literatuurwetenschapster Avital Ronell. Ik had al even niets meer van haar gehoord, maar ik zag op een mooie middag ineens een boekje met de titel America. The Troubled Continent of Thought in de boekenwinkel liggen en nam het mee. Wat zou de inmiddels 73-jarige Ronell, schrijfster van even briljante als eigenzinnige werken als The Telephone Book en The Test Drive, over Amerika te zeggen hebben?
Voor Ronell is Amerika een ‘filosofeem’, dat wil zeggen, een soort filosofische formule waar mensen, niet alleen uit de Verenigde Staten zelf maar ook uit Europa, in de loop der tijden allerlei betekenissen aan gegeven hebben. Ik noem acht min of meer samenhangende ideeën zodat u een idee krijgt waar het in dit boek op aan komt:
1) Een land dat van zichzelf zegt dat het dromen verwerkelijkt – de American Dream – moet wel tiranniek worden want alleen in een droomwereld gaan alle remmen los, iets waar de tiran een patent op heeft. 2) Een land waarin dromen wel vertrouwd worden en instituten niet, moet wel gokken op zelfvertrouwen, een gok die vaker wel dan niet verkeerd uitpakt. 3) Een land dat in wetenschap en filosofie heftig inzet op empirisme, pragmatisme en realisme is er gek genoeg in geen enkel opzicht in geslaagd haar burgers dingen te laten ervaren: de gemiddelde ‘Amerikaan’ is onervaren en gespeend van ieder realisme. 4) Een land zonder enige wereldwijsheid is niet alleen in cultureel maar ook in materieel opzicht arm: de meeste Amerikaan hebben in stuitende armoe geleefd (en ze doen het nog steeds). Alsof het land een weerlegging is van de droom waarop ze tegelijkertijd inzet. 5) Een land dat stupiditeit (p. 7), wereldloosheid (Weltlosigkeit, p. 103) en anti-intellectualisme (Geist-lessness, p. 105) tot deugden heeft verklaard, is niet in staat te leren van tragedies: Amerikanen, zo wist Emerson al, kunnen niet rouwen. 6) Een land dat niet in staat is tot echt verdriet en er bij voorkeur een sentimenteel spektakel van maakt, is niet in staat tot poëtische taal of andere expressies van sensitiviteit. 7) Een land dat geen verbindende poëzie heeft, kan geen verblijfplaats bieden aan haar mensen: Amerika is een ruimte waarin mensen verdwijnen en zwerven of zwerven en verdwijnen. 8) Een land dat de mensen geen Daseinsgrund kan bieden – voor Nietzsche was dit het mooie aan Amerika, voor Heidegger juist het ‘ondraaglijke’ – moet wel een obsessie met vereniging krijgen, ook al is deze in eerste en laatste instantie uitsluitend nominatief: de United States.
Samenvattend: Amerika is geen paradijs. Zeggen de denkers over het filosofeem. En Ronell zegt het hen na en voegt er zelf nog zo het nodige aan toe. Het is geen wonder, zo vindt ze, dat dit land met zijn ‘unieke capaciteit tot brutaliteit’ (p. 112) ruimte kan bieden aan de familie Trumpf, een Duitse familie die ‘onderweg van Freiburg naar Florida de ‘f’ liet vallen’ (p. 6), maar desondanks nog steeds meer Duits dan Amerikaans is en daarom vreemd (‘foreign’) blijft aan een land waarvan het wezen het onwezenlijke is. Het democratische experiment in Amerika wordt – dit is haar belangrijkste punt – op de hielen gezeten door Duitse nachtmerries. Het Trumpiaanse project MAGA (alsof Amerika ooit Great was), is volgens haar door en door DUITS. Daarover gaat het citaat hierboven dat op p. 78 te vinden is. Amerika is de testcase die zichtbaar maakt dat het beste bewijs voor het succes van een democratie erin bestaat dat ze zichzelf altijd kan opheffen. Ze zou ervan kunnen kotsen, schrijft Ronell meteen in de openingsalinea (p. 3), maar ze eindigt in vermoeiende berusting: ‘ACH … let me call it a day.’ (p. 140).
Zo is het maar net: Amerika is doodvermoeiend.

