De meesten zullen de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben kennen van zijn maatschappijkritische werk. Op sierlijke wijze doorgrondt hij termen als ‘biopolitiek’, ‘de uitzonderingstoestand’ en ‘soevereine macht’ om discrepanties binnen onze democratie aan te tonen. In Een filosofisch rariteitenkabinet benadert Ype de Boer Agambens werk vanuit een compleet andere hoek: geluk.
Door: Noezha el Ajami
In 2022 promoveert Ype de Boer op ethiek in het werk van Giorgio Agamben met zijn dissertatie Happy Life. Agamben’s Poetico-Philosophical Experiment. Twee jaar later is deze bekroond met het Legatum Stolpianum, een prijs voor het beste ethisch-wijsgerige proefschrift van Nederland. De Boer weet dus als geen ander het raadselachtige werk van Agamben toegankelijk te maken voor de amateur-filosoof. Dit werk omschrijft hij zelf als ‘één groot poëtisch-filosofisch experiment’. In dit experiment bevraagt hij het mens-zijn en de manier waarop de mensheid haar wereld bewoont. De wijze waarop gedacht wordt over deze zaken, zo stelt De Boer, is namelijk bepalend voor de invulling van de werkelijkheid. Een andere manier van kijken naar de mens kan zorgen voor drastische veranderingen op maatschappelijk, misschien zelfs politiek niveau. Agamben maakt deze zoektocht naar een nieuwe zienswijze niet alleen filosofisch, maar ook poëtisch door gebruik te maken van films, literatuur, cultuurverschijnselen en kerkfiguren. Met dit boek beoogt De Boer het filosofische rariteitenkabinet van Agamben – gevuld met onder andere een priester, wolf, axolotl en Pinokkio – systematisch uit te pluizen.
Constitutieve politiek
Dit systematisch uitpluizen doet De Boer middels twintig hoofdstukken die los van elkaar gelezen kunnen worden. Het zijn als het ware allemaal essays met kop en staart. Toch bevindt zich in dit boek ook één duidelijke verhaallijn, namelijk de weg naar geluk. Maar laten we, voordat we op de zaken vooruitlopen, nu eerst beginnen bij Agambens kritiek op de westerse politiek. Hij omschrijft de ware aard van die politiek als een ‘biopolitiek’, een term gepopulariseerd door de Franse filosoof Michel Foucault. Volgens Foucault is de macht van het staatshoofd sinds de achttiende eeuw verschoven van een soevereine macht, de macht om te doden, naar een biomacht, de macht om mensen hun levens te beheersen. Maar, zo stelt Agamben, in het Westen vormt die biopolitiek al veel langer een fundamenteel onderdeel van de staatsinrichting. De westerse politiek bepaalt het idee van een beschaafd en politiek gekwalificeerd leven. Dit zorgt voor het gelegitimeerd kunnen uitsluiten van bepaalde groepen mensen, denk bijvoorbeeld aan Joden in de Tweede Wereldoorlog, maar ook dieren, migranten en gendernon-conformen in de huidige samenleving.
Die constitutieve macht van de politiek heeft een bepaald mensbeeld geschapen waar we ons, met alle problematische gevolgen van dien, ongestoord aan houden. Hierdoor is ons zelfbeeld verstrooid geraakt. We zijn zogezegd onze ware aard compleet uit het oog verloren. En om de weg naar geluk voort te zetten, is een deel van Agambens missie het herdefiniëren van die ware aard.
Potentialiteit
Vasthoudende aan zijn eigenaardige karakter, gebruikt hij een speciale soort salamander, de axolotl, als boegbeeld voor wat de mens in wezen is. De axolotl is blijkbaar een zeer bijzonder diertje. Er werd lang gedacht dat de axolotl een aparte soort was, maar het blijkt eigenlijk een onvolgroeide tijgersalamander te zijn. Een pulletje dat nooit een eend wordt, maar wel kan voortplanten, om even een slechte vergelijking te geven. Een axolotl is dus een soort eeuwig kind, een wezen dat voor altijd onvolgroeid zal blijven. En dit is volgens Agamben precies wat ons als mens kenmerkt: het nooit zullen voltooien van ons groeiproces.
De mens vertoont genetisch gezien constant volkomen arbitrair gedrag. Onze biologische samenstelling verklaart in geen enkel opzicht de menselijke drang om bijvoorbeeld te filosoferen, tempels te bouwen of muziek te maken. Het kan zo gek nog niet of de mens waagt zich eraan. Deze ‘genetische onvolwassenheid’, zoals De Boer het noemt, is wat de mens van alle andere soorten op aarde onderscheidt. De mens is van nature een en al potentialiteit, wat inhoudt dat we altijd een andere weg in kunnen slaan. Ben ik het schilderen zat, dan ga ik toch lekker houtbewerken, of iets anders leuks. Dit wordt bevestigd door – en verklaart tevens – het ontstaan van verschillende culturen met elk hun eigen gebruiken, dansen en muziek. De Boer weet gedurende dit boek het idee van de mens als pure potentialiteit steeds duidelijker te maken door het in elk essay/hoofdstuk op een andere manier te benaderen, terwijl hij continu de zoektocht naar geluk in het achterhoofd houdt.
Modern pseudogeluk
De mens is een eeuwig onvoltooid wezen, zo laat Agamben ons zien, dat floreert in zijn doelloosheid. Dit, gecombineerd met een politiek systeem dat de voorwaarden bepaalt voor een waardig leven, vraagt geheid om problemen. Zonder een duidelijk voorgeschreven doel of bestemming, moet de mens zelf invullingen geven aan het leven. En een maatschappij die gericht is op successen, carrière en geld, maakt dat de mens losbandig zoveel mogelijk van zijn potentialiteit probeert te vervullen. We snakken altijd naar meer vaardigheden, meer succes, meer doelen. Dit heeft uiteraard destructieve gevolgen voor ons mens-zijn. We putten onszelf letterlijk uit, wat duidelijk te zien is door stijgende burn-outpercentages, depressiecijfers en de algemene noodkreet om meer aandacht voor mentale zorg.
De Boer maakt Agambens werk toegankelijk en tot op een zekere hoogte ook toepasbaar. Het mensbeeld dat Agamben schetst, een wezen dat nooit een bepaald eindstadium zal bereiken, lijkt op het eerste gezicht misschien nihilistisch. Maar Agamben probeert ons juist het tegenovergestelde te laten realiseren, namelijk dat die interne doelloosheid waardevol is in zichzelf. Want het feit dat we nergens voor bestemd zijn, maakt dat we geluk kunnen vinden in ‘[de] ervaring van het pure vermogen tot zijn dat ons bestaan kenmerkt, het vermogen aangedaan te worden, ontvankelijk te zijn voor wat zich aandient en ons leven vormgeeft.’
Hoe word je gelukkig
Hoewel De Boer geen zelfhulpboek schrijft, biedt zijn essayverzameling toch een hoopvolle boodschap voor de verdwaalde ziel. Het is begrijpelijk dat het merendeel van de bevolking te kampen heeft met stress en prestatiedruk: dit is het gevolg van een modern mensbeeld dat de plank volledig misslaat. Dit mensbeeld, dat de biopolitieke macht heeft geschapen en in stand houdt, vat de mens op als een wezen dat een waardig en volgroeid stadium kan bereiken, waardoor we altijd zullen streven naar het bereiken van meer. Dit fictieve mensbeeld moeten we loslaten.
De weg naar geluk zit hem juist in onze generatieve potentialiteit, de genieting van het eigen vermogen tot meemaken en handelen. Want dat is waar we voor zijn gemaakt: niks in het bijzonder. Eigenlijk is de weg naar geluk dus heel simpel, aangezien we er niks speciaals voor hoeven te doen. Er is alleen een andere manier van kijken nodig. We moeten onszelf weer gaan zien als het wezen zonder doel, het dier dat altijd een andere weg in kan slaan. Agamben vindt geluk niet in een klein hoekje, maar ziet het plotseling overal om ons heen. We hebben alleen nog niet de juiste bril op om het te zien. De Boer spoort ons aan om dit te realiseren en doet daarmee recht aan Agambens poëtisch-filosofische missie. Dit maakt Een filosofisch rariteitenkabinet een praktisch agambiaans handboek, alsook een vermakelijk stuk leesvoer dat op een eigenaardige wijze filosofie bedrijft.

Ype de Boer, Een filosofisch rariteitenkabinet. Agambens zoektocht naar geluk. Amsterdam: Boom, 2025.

