Para-doxaal: Plato | Column René ten Bos

“Ook zal (…) schoonheid (de ingewijde) niet verschijnen in de vorm van een gelaat, van handen of van een ander lichaamsdeel, ook niet als een gedachte of een wetenschap. Ook komt ze niet voor in iets anders, bijvoorbeeld in een levend wezen dat op aarde of in de hemel of om het even waar leeft. Nee, het is de Schoonheid zelf op zichzelf, eeuwig eenvormig met zichzelf …”

Deze beroemde passage uit Plato’s dialoog Symposion (211a-b) is zo vaak becommentarieerd dat het moeilijk is er nog iets zinvols aan toe te voegen. We gaan het toch proberen. Daartoe moeten we allereerst kijken naar hoe Plato het citaat inleidt. Hij wilde niets minder dan een visioen op de “opperste schoonheid”. Het gaat in dat visioen zeker niet om alledaagse schoonheid, maar om iets “wonderlijks” waartoe alleen “iemand die in de liefde is opgeleid” en dichtbij “de volle inwijding in Eros’ mysteriën” is, toegang zal krijgen. Deze schoonheid is dus niet voor Jan en alleman weggelegd. Laat dat duidelijk zijn.

Deze opperste schoonheid kan niet ontstaan of vergaan. Ze kan ook niet “groeien en kwijnen”. Er kleven dus geen gradaties aan deze schoonheid, iets waar niet-ingewijden (voor Plato waren dat vooral niet-filosofen) meestal wel van uitgaan: ‘Ik vind dat muziekstuk best aardig.’ Of: ‘Dat schilderij vind ik mooier dan dit schilderij’. De opperste schoonheid is één die “boven alle mooie dingen uitstijgt” en niet te vergelijken is “met goud, kleding of mooie jongens of mooie jongemannen”.

Je moet je voorstellen hoe provocerend deze woorden waren. Ze werden gesproken tijdens een drankgelag waarbij veel jonge kunstenaars te gast waren. Ze willen mooie dingen maken en wat interesseert hen dan een schoonheid die kennelijk niets met die dingen te maken heeft? Algemener, waarom zouden ook andere dronkenlappen geïnteresseerd zijn in opperste schoonheid? Dat er veel gezopen werd, blijkt uit het volgende citaat. Als de beschonken Alcibiades met een fluitspeelster na alle hoogdravende bespiegelingen over schoonheid binnenkomt, vraagt hij: “Avond heren! Mag iemand die dronken is, heel erg dronken, nog meedrinken?”

Het is een van mijn favoriete citaten uit de filosofie.

Een andere provocatie was dat deze bespiegelingen in de mond gelegd worden van Diotema van Mantinea, een priesteres-filosofe waarvan Socrates in zijn jeugd les zou hebben gehad. Zou – want heel veel aanwijzingen dat Diotema werkelijk bestaan heeft, zijn er niet. De enige werkelijke vrouwen die tot symposia in het oude Griekenland toegang kregen waren zogenoemde hetaira, dames die niet alleen kunst in de vorm van muziek en poëzie kwamen brengen, maar ook seksuele diensten aanboden. Zo iemand was Diotema, even aannemende dat ze echt bestaan heeft, bepaald niet. Ze kan geen onbeduidende fluitspeelster zijn geweest, want ze heeft Socrates aangezet tot zijn wonderlijke leer over de schoonheid. Kunnen vrouwen in de ogen van Plato toch filosoferen en toegang krijgen tot de opperste schoonheid?

Feminien of niet, deze leer heeft ervoor gezorgd dat een wetenschap van het schone een onmogelijkheid werd in onze cultuur, iets waar filosofen tot op de dag van vandaag mee worstelen. Het probleem dat Diotema ons heeft achtergelaten is dat kennis wel toegang biedt tot waarheid maar niet tot schoonheid. En omdat schoonheid met liefde en ook met genot samenhangt, is het een vraag geworden of wetenschap met beide kan samenhangen. Zeker, ze biedt toegang tot de waarheid, maar juist niet, zo lijkt het, tot genot of liefde. Wat doet dat met ons gevoel voor wetenschap? Kunnen we nog wel van haar houden? Denk eens aan de treurige ernst van veel academici…

Veel filosofische inspanningen op dit terrein richten zich erop uit dit al te herkenbare labyrint te ontsnappen. Tegen heug en meug in, tracht men zoiets als een joie de savoir veilig te stellen. Misschien kan een nieuwe, bij voorkeur een echte Diotema, een uitweg bieden.

Dit artikel is verschenen in iFilosofie #81. Klik hier voor de volledige editie.

Winkelwagen
Scroll naar boven