In Metamorfosen neemt Emanuele Coccia de lezer mee op een wonderlijke ontdekkingstocht door de natuur. Onderweg laat hij zien dat het leven voortdurend gedaanteverwisselingen ondergaat en dat de mens daar geen uitzondering op vormt. Aan de hand van dat inzicht kijkt hij met een frisse blik naar de westerse cultuur.
Door Siem Buijsse
Stel je voor dat onze levensloop net als die van de rups en de vlinder zou zijn: dat we rond onze dertigste verjaardag in een cocon kruipen en daar even later uitkomen met zo’n ander innerlijk en uiterlijk, dat we een volstrekt nieuw wezen lijken. Zoals Franz Kafka al optekende in De gedaanteverwisseling zou zo’n verandering allereerst nogal schrikken zijn, en bovendien een aantal forse filosofische problemen opleveren. Want wat betekent het dan nog om ‘mens’ te zijn? In welk van die twee uiteenlopende gedaanten ligt onze essentie? Wat blijft er over van onze identiteit?
In Metamorfosen stelt Emanuele Coccia dat dit geen vergezocht gedachte-experiment is. Want hoewel onze veranderingen misschien minder spectaculair zijn dan die van de rups en de vlinder, is ook de mens geen stabiel wezen met één essentiële, volmaakte vorm. We groeien en krimpen, veranderen van gedachten en onze cellen vernieuwen zich om de haverklap. Zelfs onze atomen zijn niet echt ‘van ons’: we hebben ze even in bruikleen, maar voor onze geboorte waren ze deel van iets anders en na onze dood krijgen ze weer een nieuwe bestemming. Wanneer we uitzoomen, ontkomen we er bovendien niet aan dat wij, net als alle andere levende wezens, slechts de voorlopig laatste schakel zijn in een eindeloze keten van transformaties: de evolutie. Kortom, ons gehele bestaan hangt aan elkaar van veranderingen. Daarom ligt de essentie van het leven – van de rups, van de vlinder, van de mens, van elk wezen – volgens Coccia precies daar: in de metamorfose.
Het wereldwijde web
De Italiaanse Coccia promoveerde in middeleeuwse filosofie, maar richt zich nu al jaren voornamelijk op de natuurlijke wereld, zoals in La Vita della Piante (‘Het leven van planten’, 2017). In Metamorfosen, vertaald naar het Nederlands door Pieter Coulogne, komt deze fascinatie tot volle bloei. Waar zijn grote inspiratiebron, de Romeinse dichter Ovidius, in zijn gelijknamige dichtwerk vooral schreef over bovennatuurlijke metamorfoses, stort Coccia zich vol enthousiasme op de wonderlijke gedaanteverwisselingen van kwallen, paddenstoelen, insecten en dus ook mensen. Daarbij haalt hij meer biologen dan filosofen aan. Met deze natuurlijke ‘metamorfosen’ als beginpunt schetst de Italiaan een allesomvattend wereldbeeld, waarin alles constant verandert en elke levensvorm – van pindaplant tot mens – een gelijkwaardig onderdeel van ‘moeder Aarde’ is. Elk wezen is volgens Coccia namelijk een uiting van hetzelfde ‘leven’, dat sinds het allereerste organisme telkens andere vormen heeft aangenomen. Met andere woorden, alle levensvormen op aarde zijn met elkaar verweven en bestaan in een symbiotische relatie, die voortdurend verandert.
Coccia schetst dit wereldbeeld met een opvallend losse pols. Zijn poëtische zinnen, meanderende redenaties en korte hoofdstukken maken van Metamorfosen een nogal fragmentarisch boek, waardoor ik zijn argumentatiestructuur soms lastig te volgen vond. Omdat hij daarnaast zelden expliciet in dialoog gaat met andere filosofen en theorieën, heeft Metamorfosen soms meer weg van een literaire stream of consciousness dan van een traditioneel wijsgerig betoog. Dat is niet per se erg: Coccia is een dermate goede schrijver met zo’n rijke verbeelding, dat ik het enorm fijn vond om me te laten meevoeren op deze wonderlijke ontdekkingstocht langs alle uithoeken van de natuur. Doordat hij Metamorfosen bovendien heeft onderverdeeld in vijf delen – Geboorten, Cocons, Reïncarnaties, Migraties en Associaties – komen alle fragmenten uiteindelijk toch samen tot een enigszins overzichtelijk geheel.
Samen zijn we anders
Maar het gevoel beklijft dat Coccia er goed aan had gedaan zijn argumentatie nauwkeuriger te formuleren. Achter zijn lyrische uitweidingen gaan namelijk ingrijpende conclusies schuil: hij wijst in Metamorfosen bijvoorbeeld resoluut elke hiërarchie van soorten af, en staat daarmee lijnrecht tegenover alle vormen van ‘antropocentrisme’. Volgens de antropocentrist is de mens het middelpunt van de wereld en is de natuur slechts een externe bron van grondstoffen, voedsel en genot. Er is weinig tegenin te brengen dat deze zienswijze tenminste deels verantwoordelijk is voor de huidige klimaatcrisis. Dat ziet ook Coccia, die zich beklaagt over de valse tegenstelling die de mens tussen natuur en beschaving heeft gecreëerd. Mensen zijn bang voor het veranderlijke karakter van de natuur en willen liever dat alles hetzelfde blijft. Daarom heeft de mensheid, als ‘de grote Medusa van de planeet’, alles wat ‘wild’ is uit haar steden verbannen en daarmee levenloze, betonnen woestenijen gecreëerd. Het zou beter zijn, vindt Coccia, om te omarmen dat wij zelf net zo veranderlijk zijn als de rest van de natuur en alleen kunnen bestaan in symbiose met alles om ons heen. De stad moet daarom een plek worden waar allerlei planten- en diersoorten samen kunnen bestaan én veranderen. Of, in de woorden van Coccia, ‘een praktijk van collectieve metamorfose van de soorten’.
Dergelijke observaties verliezen in Metamorfosen vaak enige zeggingskracht, omdat Coccia niet altijd even concreet wordt en regelmatig teruggrijpt naar haast mystieke termen, zoals ‘kosmische verwantschap’. Dat vind ik jammer, want hij gebruikt het concept ‘metamorfose’ wel degelijk om met een frisse, kritische blik naar de mensheid te kijken. In Geboorten, het eerste deel van het boek, merkt hij bijvoorbeeld droogjes op dat de westerse cultuur een soort dodencultus is: onze bibliotheken staan vol met diepzinnige gedachten over de dood, terwijl de geboorte grotendeels is genegeerd. Hij wijt dit aan het feit dat mannen, die niet zwanger kunnen worden, onze cultuur al zo lang domineren. Alleen de geboorte van Jezus Christus krijgt veel aandacht, maar deze wordt voorgesteld als iets bovennatuurlijks.Dat is vreemd, vindt Coccia, want niets is zo natuurlijk als de geboorte: alle wezens maken het een keer mee. Toch is het een van de spectaculairste metamorfoses die het leven kan doormaken. Volgens Coccia zou het daarom goed zijn om daar vaker bij stil te staan, om een beter begrip van het ‘leven’ te krijgen: we moeten inzien dat we geen geïsoleerde individuen zijn, maar slechts een uitdrukking van een eindeloze reeks metamorfoses.
Een nieuw wereldbeeld
Coccia is ook op dreef in Reïncarnaties, het derde deel, waarin hij zijn licht laat schijnen op voedsel. We denken er liever niet over na, maar als wij een appel of een kippenpoot eten, ‘absorberen’ we als het ware een leven. Via voeding migreert het leven telkens van het ene naar het andere lichaam. Dat bewijst, aldus Coccia, nogmaals dat wezens geen eigen, individueel ‘leven’ bezitten, maar dat ze hetzelfde leven delen met alle aardbewoners. Als je wordt opgegeten verdwijnt dat leven niet, maar reïncarneert het simpelweg in een ander organisme: het is niets meer dan een metamorfose. Maar de mens plaatst zichzelf graag buiten de wereldorde. Daarom vinden we het maar lastig te verkroppen dat we eetbaar zijn, merkt Coccia op met enige spot. We vinden de gedachte dat insecten ooit aan ons dode lichaam knabbelen zelfs zó vernederend, dat we onze lijken tevergeefs in stevige kisten stoppen. Of we verbranden ze, maar zelfs dan worden ze voedsel, in dat geval voor bomen en planten. Op aarde kun je niets bezitten, zelfs je lichaam niet. En het leven gaat door, ook zonder ons. Het is hoog tijd dat de mensheid dat gaat accepteren, aldus Coccia.
Hoewel hij niet bepaald systematisch te werk gaat, zet Coccia met dit soort vaststellingen wel het gehele westerse wereldbeeld op zijn kop. Dat leidt tot een aantal belangrijke vragen. Want wat voor ethiek past eigenlijk bij Coccia’s wereldbeeld? Hoeveel ruimte voor individualiteit is er nog? En brengt het ons niet gevaarlijk dichtbij nihilisme? De Italiaan geeft daarop slechts halve antwoorden. Metamorfosen heeft dezelfde zweem van geheimzinnigheid die religieuze teksten ook vaak hebben. Dat is intrigerend, maar liet me ook een beetje onbevredigd en gefrustreerd achter. Aan de andere kant is het misschien wel passend dat Metamorfosen zo ongrijpbaar is. Want als Coccia ons iets duidelijk maakt, is het wel dat het leven dat nu eenmaal ook is.

Emanuele Coccia, Metamorfosen, vertaald door Pieter Boulogne, Amsterdam: Octavo, 2024
