Tussen stad en platteland

De relatie tussen stad en platteland is verstoord, stelt Wouter Mensink. In Hoe we uit het dorp vertrokken zet hij zich in om deze relatie te verbeteren. Door aandacht te schenken aan de persoonlijke ervaring van de ‘plattelandverlaters’ biedt hij een aanzet tot meer dialoog en verrijkt hij deze met nieuwe perspectieven.

Door Anna Estarippa

We moeten af van denken over een ‘kloof’ wanneer we denken aan de relatie tussen stad en platteland, betoogt filosoof Wouter Mensink. In plaats daarvan moeten we toewerken naar ‘ervaringsdenken’, waarin persoonlijke ervaringen die ons aan het denken kunnen zetten centraal staan. In het bijzonder moeten we aandacht schenken aan de ervaringen van mensen die zowel stad als platteland kennen, de zogeheten ‘plattelandverlaters’. Mensink zelf is daar een voorbeeld van: hij verliet het Veluwse Beekbergen voor Enschede en later Boedapest, Praag en Amsterdam. De ervaringen van de plattelandverlaters tonen aan dat plattelanders en stedelingen wellicht minder van elkaar verschillen dan ze denken. Maar wat houdt het nu precies in om het dorp te verruilen voor de stad? En welke verschillende beelden over het platteland bestaan er? In dit essay vertelt Mensink op speelse wijze over de ervaring van zijn eigen plattelandsverlating en die van de generaties voor hem. Daardoorheen verweeft hij op luchtige toon menig filosofische theorie en meer algemene reflecties over stad, dorp en platteland. Naast zijn werk als schrijver en filosoof is Wouter Mensink werkzaam als conflictbemiddelaar, een rol die hij in zijn essay inneemt in verschillende debatten tussen stedelingen en plattelanders. Na een vermakelijke denkbeeldige reis door de Zuidelijke Staten van de VS sluit Mensink zijn essay af met een oproep tot meer dialoog.

Ontworteling

Het eerste perspectief dat in het verhaal aan bod komt, is dat van Mensinks grootvader. Hij vertelt hoe die noodgedwongen de boerderij van zijn ouders moest verlaten om elders bij een boer aan de slag te gaan. Hoewel Mensinks opa nog geen tien kilometer verderop ging wonen, was dit voor hem geen gemakkelijke stap. Mensink verbindt zijn opa’s gevoelens van heimwee en verlies onder andere aan de ideeën van de Duitse filosoof Martin Heidegger. Heidegger schreef over het belang van het ‘geworteld-zijn’, het hebben van een sterke band met het land, het een-zijn met de elementen. Het verlaten van het dorp van zijn ouders leidde bij zijn opa tot ontworteling, betoogt Mensink.

Hoewel ik de relatie tot het platteland duidelijk terugzie in het werk van Heidegger, ben ik er niet van overtuigd dat gevoelens van heimwee ons iets specifieks over plattelandverlaters kunnen vertellen. Iemand die zijn geboortestad verlaat kan net zo goed gevoelens van verlies en heimwee ervaren.

Ook Mensinks moeder had een onprettige ervaring met het verlaten van haar geboorteplaats. Zo schrijft Mensink over de zomer waarin zijn moeder voor het eerst ging logeren in Amsterdam, maar door de heftige heimwee eerder terug naar huis kwam. Met deze overgang naar een andere wereld verbindt Mensink moeiteloos de filosofische werken van onder anderen Hannah Arendt, Donald Davidson en Paul Ricœur. De belangrijkste ideeën die hij aan deze filosofen ontleent, gaan over de persoonlijke ervaring van een radicaal omslagpunt. Met name in de theorie van Ricœur, die betoogt dat grote gebeurtenissen in de geschiedenis te onpersoonlijk worden benaderd, vindt Mensink de rechtvaardiging om menselijke ervaringen centraal te zetten. Mensink koppelt op die manier het verlaten van het dorp als een ontwikkeling van persoonlijke identiteit en verbindt het verhaal van zijn moeder aan de grote gebeurtenis van het proces van verstedelijking.

Tot slot komt Mensinks eigen plattelandverlating aan bod. In tegenstelling tot zijn familieleden gaat het in zijn geval écht om een plattelandsverlating en heeft hij een stuk minder last van heimwee. Toch gaat het proces van ‘stedeling worden’, zoals Mensink dat met veel humor beschrijft, niet geheel vanzelf. Bij hem was het een proces van pretentie, te grote schoenen proberen, en ‘nieuwe jassen aantrekken’. Hij gebruikt ditmaal zijn eigen ervaringen om de verschillende kanten van het stedeling worden uiteen te zetten. Hij belicht zowel de mooie, kansrijke kanten als de kille, vervreemdende kanten van de stad en verbindt die aan de ervaringen van dorpelingen. Zo benadrukt hij de wederzijdse afhankelijkheid van stad en platteland.

De rurale mythe

In het derde en laatste deel van zijn essay pakt de schrijver het anders aan en neemt hij de lezer mee op een denkbeeldige reis door het Amerikaanse platteland. Geïnspireerd door de muziek van een aantal van zijn favoriete artiesten die allen een kenmerkend beeld schetsen van het platteland, bezoekt Mensink verschillende (soms denkbeeldige) plaatsen. Bij iedere stop staat Mensink stil bij de beelden van het platteland die de muziek oproept, waarna de muzikant plaatsneemt op de achterbank en meegaat op reis.

De term ‘rurale mythe’, die in deze hoofdstukken terugkomt, beschrijft het beeld van de Zuidelijke Staten van de VS als een ‘premodern land van barbaarsheid en wetteloze strijd om te overleven’, een primitieve wereld vol mystiek. Mensink verzamelt verschillende mythes over het platteland die hij al van jongs af aan meekrijgt van zijn favoriete artiesten. Wat opvalt is dat de mythes sterk van elkaar verschillen. Zo zet hij de zonnige, vrolijke mythe van Dolly Partons Dollywood naast de gewelddadige en dreigende mythe van Nick Caves stormachtige stad Tupelo, de geboortestad van Elvis. De wending die het essay in dit stuk neemt, was voor mij een welkome verrassing. Niet alleen was het vermakelijk om in de wereld achter deze hits en muzieklegendes te duiken, maar vooral Mensink’s eigen enthousiasme maakt dit deel van het essay onverwachts leuk om te lezen. Met veel plezier brengt hij zichzelf en de personages op de achterbank met elkaar in gesprek, en dat plezier werkt aanstekelijk. Het is daardoor bijna alsof je zelf mee op weg bent naar de Mississippidelta.

Wat ik echter minder goed kan plaatsen is de focus op het Amerikaanse platteland dat hier zo uitvoerig wordt beschreven. Hoewel eerder in het essay andere plattelanden wel degelijk aan bod komen, lag de focus tot nu toe voornamelijk op het Nederlandse platteland en het beeld dat daarvan in Nederlandse muziek werd geschetst, bijvoorbeeld door Bennie Jolink. Met deze afslag naar de Verenigde Staten lijkt Mensink het Nederlandse platteland volledig achter zich te laten. Hij benoemt de verschillen tussen de Nederlandse en de Amerikaanse verhouding van stad en platteland niet. De ‘rurale mythes’ van de VS lijken over één kam geschoren te worden met het beeld van de ‘rurale idylle’ dat heerst over het Nederlandse platteland.

De dialoog

Een van de voornaamste lessen die we uit het essay moeten halen is dat we stil moeten staan bij de beelden die worden geschetst van het platteland. Let daarbij vooral op wie deze beelden schetst, is de boodschap die Mensink probeert over te brengen. Hij waarschuwt voor urbanormativity, het idee dat het stedelijke perspectief de norm is, waarbij het platteland enkel wordt gewaardeerd vanuit stedelijke behoefte om bijvoorbeeld de drukte te ‘ontsnappen’. Mensinks advies: ga erop uit. Door daadwerkelijk naar het platteland af te reizen kom je erachter welke beelden van het platteland kloppen en welke louter ‘mythe’ zijn. In elk geval levert het een breder perspectief op, en dat is exact wat er nu nodig is. Om de relatie tussen stad en platteland te kunnen herstellen moeten we ons verplaatsen in het perspectief van de ander. Met zijn essay zet Mensink hiertoe aan door vele ervaringen te presenteren die ons aan het denken kunnen zetten.

Als ware conflictbemiddelaar zet hij ons tot slot aan tot dialoog. In tegenstelling tot menig filosofisch essay somt Mensink een aantal praktische voorstellen op waarvan hij denkt dat ze effectief kunnen bijdragen aan een betere relatie tussen stad en platteland. Naast erop uit gaan en je daadwerkelijk te begeven op het platteland adviseert hij bijvoorbeeld om in gesprek te gaan met de familie. De meeste stedelingen hoeven namelijk maar een paar generaties terug te gaan voordat ze op voorouders stuiten die woonden op het platteland. Ook als inmiddels niemand uit de familie meer werkt in de agrarische sector, kan de familiedialoog behulpzaam zijn om toe te werken van het ‘kloofdenken’ naar het ‘ervaringsdenken’ en toont Wouter Mensink dat de ervaring van de plattelandverlater niet ver van je af hoeft te staan. Alleen al daarom is zijn werk een belangrijke bijdrage aan het debat over stad en platteland.

Wouter Mensink, Hoe we uit het dorp vertrokken. Filosofie tussen stad en platteland. Amsterdam: Boom, 2024

Dit artikel is verschenen in iFilosofie #81. Klik hier voor de volledige editie.

Winkelwagen
Scroll naar boven