Valerie Granberg is kunstenaar en filosoof. Van 24 t/m 28 augustus verzorgt ze, samen met gastsprekers onder wie Eva von Redecker, de summerschool ‘Ik heb dus ik ben. De filosofie van bezit’.
Zoals een geamputeerd lichaamsdeel nog fantoompijn kan veroorzaken, kunnen oude ideeën over bezit en zeggenschap blijven voortbestaan. Dat noemt de Duitse filosoof Eva von Redecker fantoombezit: het gevoel dat een ander mens (lees een vrouw of iemand van kleur), ondanks juridische vrijheid, toch binnen jouw (lees witte man) verwachtingen en verlangens zou moeten passen. Hoe dat werkt blijkt goed uit het schilderij Sjalusi van de Noorse schilder Edvard Munch. Of misschien nog wel meer uit de geschiedenis erachter.
Munch schilderde tussen 1895 en 1935 maar liefst elf variaties op Sjalusi. Doorgaans is de setting dezelfde: een man op de voorgrond met een gezicht dat groen kleurt van jaloezie. Op de achtergrond staan een vrouw en een man. De vrouw is naakt, de mannen zijn gekleed. In sommige versies plukt de vrouw een appel uit de boom van goed en kwaad.
Opvallend is dat de man op de voorgrond niet Munch zelf is, maar de Poolse schrijver Stanisław Przybyszewski. Munch plaatste zichzelf op de achtergrond, naast de vrouw die een centrale rol speelt in deze geschiedenis: Dagny Juel. Juel was getrouwd met Przybyszewski. Munch schilderde dus niet zijn eigen jaloezie, maar plaatste zichzelf in de positie van degene op wie Przybyszewski jaloers zou zijn.
Dagny Juel was een Noorse schrijver en pianist, en jeugdvriend van Munch. Toen zij van Noorwegen naar Berlijn verhuisde, kwam ze in contact met de kunstenaarskring rondom Munch, waar ook Przybyszewski deel van uitmaakte. Ze werden verliefd en trouwden na slechts een half jaar, onder druk van haar familie. Of zij op het moment dat de eerste versie van Sjalusi ontstond een liefdesrelatie met Munch had, is onduidelijk, maar Munch wil in ieder geval die indruk wekken.
Hij was, net als een groot deel van de Berlijnse kunstenaarsscene van het fin de siècle, betoverd door Dagny Juels verschijning als vrijgevochten schrijver, pianist en danser. Haar onafhankelijke persoonlijkheid was waarschijnlijk mede het gevolg van haar opleiding aan de privéschool van Anna Stang, feministisch politica en voorvechter van vrouwenrechten.
Munch schilderde Juel meerdere keren. Hij maakte een levensgroot portret van haar en ze stond model voor zijn schilderij Madonna, een van zijn bekendste werken. Een naakte vrouw met gesloten ogen en een rode halo rond haar hoofd. De titel roept het beeld op van Maria, terwijl haar naaktheid haar tegelijk tot lustobject maakt.
Het was precies die dubbelzinnigheid in haar die kunstenaars aantrok. Maar de rol van muze die haar werd toebedeeld betekende ook dat haar eigen talent ondergeschikt werd gemaakt aan de rol die zij voor anderen vervulde. Ze had alleen waarde als spiegel van de geniale kunstenaar. Sterker nog, een weigering om zich daardoor te laten bepalen kwam haar duur te staan. De Zweedse schrijver August Strindberg, die een korte affaire met haar had, noemde haar ‘Aspasia’. Die naam verwees naar een Griekse filosofe die in de overlevering vooral bekend kwam te staan als prostituee. Nadat Juel hem had afgewezen schreef Strindberg: ‘Naar mijn mening zou Aspasia vernietigd moeten worden. Men zou een torpedo onder de kont van deze persoon moeten schieten.’ Nog jarenlang voerde hij een haatcampagne tegen haar.
De overgang van heilige naar hoer is geen tegenstelling, maar twee kanten van dezelfde medaille. Zolang de vrouw de verlangens van de kunstenaar belichaamt, wordt zij verheerlijkt. Zodra zij haar eigen leven opeist, wordt diezelfde onafhankelijkheid haar kwalijk genomen. Wat eerst bewondering opriep, verandert in een ervaren verlies van controle.
Deze dynamiek is een illustratie van wat Eva von Redecker fantoombezit noemt. In haar boek Revolutie voor het leven laat de Duitse filosoof zien hoe het moderne eigendomsbegrip, dat met de opkomst van het kapitalisme ontstond, niet alleen bepaalt hoe wij met dingen omgaan, maar ook hoe wij naar mensen en relaties kijken.
Volgens Von Redecker is eigendom gebaseerd op wat zij absolute zaakheerschappij noemt: het idee dat een eigenaar volledig over iets mag beschikken, zelfs tot het punt van vernietiging. Met de opkomst van het kapitalisme werd de wereld verdeeld in objecten waarover iemand exclusieve zeggenschap kon hebben. Volgens Von Redecker werkt deze logica ook door in menselijke relaties. Hoewel vrouwen en tot slaaf gemaakten juridisch geen bezit meer zijn, verdwijnen oude gevoelens van aanspraak daarmee niet vanzelf.
Vanuit dat begrip krijgt ook de figuur van de muze een andere betekenis. Dagny Juel was geen juridisch bezit van Munch, Przybyszewski of Strindberg. Toch werden haar schoonheid, haar lichaam en haar talent voortdurend toegeëigend als inspiratiebron voor hun kunst, hun verlangens en hun zelfbeeld. Haar eigen werk als schrijver verdween daardoor naar de achtergrond.
Juist daarom kan bewondering zo gemakkelijk omslaan in haat. Zolang de muze de verlangens van de kunstenaar belichaamt, wordt zij verheerlijkt. Maar als zij zich aan die rol onttrekt, verdwijnt het gevoel van aanspraak niet. Fantoombezit maakt zichtbaar hoe die aanspraak kan omslaan in vernedering, geweld en vernietigingsdrang.
Het huwelijk van Przybyszewski en Juel werd gekenmerkt door conflicten, jaloezie en geweld. Toen Juel hem vertelde dat zij bij hem weg wilde gaan vanwege zijn drankmisbruik, sloeg hij haar in elkaar. In 1901 werd zij in een hotel in Tbilisi doodgeschoten door de jonge schrijver Władysław Emeryk, een ziekelijke bewonderaar van haar. Het is nooit opgehelderd of Przybyszewski opdracht gaf tot de moord.
Het tragische leven van Dagny Juel laat zien hoe juist haar onafhankelijkheid haar ondergang werd. Natuurlijk zijn tijden veranderd en zijn vrouwen vandaag de dag vrij om hun talenten voor het voetlicht te brengen. Maar de beweging van bewondering naar vernietiging, gebaseerd op fantoombezit van vrouwen, bestaat nog steeds. Al is het maar in het klein, wanneer een man naar een vrouw fluit en haar voor hoer uitmaakt als ze niet reageert. Of denk aan de manosphere, waarin mannen vrouwen expliciet als hun bezit bestempelen. Of denk aan de vrouwen in Amerika die bereid zijn hun stemrecht op te geven vanuit de overtuiging dat onderworpenheid aan de man hun natuurlijke positie is.
Het spook van het fantoombezit waart nog altijd rond. Dat kunnen we vooral verslaan door te vertrouwen in zoveel ongebruikt talent.
