Aankomst

Tekst: Marianne Douma

Standplaats Sefula
Bepakt en bezakt met onze boodschappen klommen we in een vliegtuigje dat ons naar onze plaats van bestemming ging brengen.

‘Olifanten!’, riep de piloot en hij vloog extra laag om ze goed te laten zien. Toen ik vanuit de lucht de uitgestrekte uiterwaarden van de rivier de Zambezi ontdekte, wist ik dat we in de buurt waren gekomen van onze nieuwe standplaats.

Vanuit de lucht biedt de rivier een schilderachtig panorama in vele pasteltinten. De weidse rivier is omringd door moerassen. De Zambezi is hier voor gewone boten onbevaarbaar. Alleen een kano gemaakt van een uitgeholde boomstam kan hier varen. Bananenboten, worden ze genoemd.

We landden op een airstrip in een hobbelig veld bij het plaatsje Mongu en vervolgden onze reis per landrover. Hotsend en botsend wurmde de wagen zich door het rulle zand.

‘Het is daar zo mooi, het klimaat is heerlijk, prachtige palmbomen langs de Zambezi en je plukt de sinaasappels zo van de bomen’, had de predikant van de commissie Kerk Overzee ons in Nederland verteld, vlak voor we vertrokken. Hij was net teruggekomen uit Zambia en had de school waar wij naar op weg waren bezocht. Maar hier waren geen wuivende palmbomen, sinaasappelbomen en vallende kokosnoten. Er was hier vooral zand. Veel zand.

Hier stonden we dan in Sefula, in het Koninkrijk Barotseland. Onze nieuwe standplaats.

Sefula was destijds een plaatsje in het westen van Zambia. De beroemde ontdekkingsreiziger David Livingstone was in 1853 de eerste Europeaan die het lukte om de Zambezi over te steken en deze plek te bereiken. De Franse missionaris François Coillard en zijn vrouw Christina volgden en stichtten er in 1884 de school waar ik de komende drie en een half jaar les zou gaan geven, Sefula Secondary School.

Na de onafhankelijkheid van Zambia in 1964 stond het Zambiaanse onderwijs nog in de kinderschoenen. Zambia was daarvoor Brits protectoraat geweest. Middelbare scholen moesten nog van de grond komen en daarom werd er via de United Church of Zambia (UCZ) een beroep gedaan op buitenlanders. De UCZ was een verbond van verschillende overzeese charitatieve kerken, die voor een periode van drie en een half jaar contracten sloot met leraren die in Zambia op een zendings- of missieschool kwamen lesgeven.

Wij arriveerden daar in 1970. In de jaren daarop zouden meer Nederlanders in Zambia gestationeerd worden op dit soort regeringsscholen. De Nederlanders die na ons kwamen, waren volgens richtlijnen van het Zambiaanse Ministerie van Onderwijs verplicht eerst een cursus te volgen van negen maanden aan de University of Zambia in de hoofdstad Lusaka. Daarna kregen zij via het ministerie een standplaats toegewezen. Die verplichting en die mogelijkheid tot inburgering waren er voor ons op missiescholen niet.

‘No worries’
We waren een paar dagen eerder aangekomen in Lusaka, de hoofdstad van Zambia. Op het vliegveld was secretaris Mr. Sychamuna Syamujaye van de United Church of Zambia (UCZ) ons vriendelijk komen begroeten. Hij bracht ons direct naar het Hubert Young Hostel, dat was vernoemd naar een beroemde Britse diplomaat. Het was het vaste logeeradres voor expats, buitenlanders met een contract in Zambia. Hier hadden we tijd gehad om uit te rusten en te acclimatiseren.

De volgende ochtend was de secretaris al vroeg langsgekomen, want alle formaliteiten moesten nog worden geregeld. Het contract moest worden getekend, geldzaken moesten in orde gemaakt, de werkvergunning moest afkomen, belastingpapieren moesten ingevuld en vervoer naar onze post moest worden geregeld.

De douane had ons vele uren tijd gekost. Acht weken tevoren was een grote kist met bagage verstuurd per zeepost, maar die was nog niet aan gekomen. We dachten dat we onze bagage zouden kunnen meenemen naar onze standplaats, maar dat bleek onmogelijk. De bagage zou ons worden nagezonden.

‘No worries’, zei de secretaris. ‘Het komt allemaal goed.’

Tijdens onze tocht langs instanties bleef de secretaris praktisch handelen in wat voor ons chaotische procedures leken. ‘Zambia in the sun’, lachte hij ons toe, naar de bekende reclameslogan van Zambia. Ondertussen keken we geboeid naar het doorschuiven van papieren en formulieren en naar het kleurrijke straatbeeld, de witgeschilderde stammen van de bomen, de magie van talrijke paarsbloeiende jacaranda en rode flamboyante flame trees langs de wegen. Vrouwen met kinderen in draagdoeken en jerrycans water op hun hoofd bewogen zich soepel tussen verkeersopstoppingen van allerlei soorten vervoersmiddelen door. Sommigen voedden ondertussen ook nog hun baby of peuter.

‘Er zijn daar geen winkels, dus jullie moeten voor drie maanden boodschappen meenemen tot de volgende schoolvakantie’, had secretaris Syamujaye gezegd. Dat klonk serieus. Een ‘foodless and shopless’ locatie! Het had ons de nodige hoofdbrekens gekost. Wat moest je voor drie maanden meenemen naar een verre afgelegen plek waar je nog nooit was geweest en wat mocht je vooral niet vergeten?

De hoge prijs van principes
De middelbare missieschool in Sefula lag vijfhonderd kilometer verwijderd van Lusaka en was in die tijd alleen met een klein vliegtuig bereikbaar. Het was een missiepost in een afgelegen en vrijwel onaangetast gebied, midden in het fascinerende Koninkrijk Barotseland, het land van de Lozibevolking met een traditionele koning.

In Lusaka had de secretaris ons in contact gebracht met Richard Hall, hoofdredacteur van The Times of Zambia1. Die had ons uitgebreid geïnformeerd over de Zambiaanse geschiedenis en de recente ontwikkelingen in Barotseland. Hall was een invloedrijke journalist en adviseur van president Kenneth Kaunda, de eerste president van Zambia.

We hadden hem thuis aan de ontbijttafel ontmoet met zijn vijf zonen. Hij vertelde ons waarmee hij bezig was en waarschuwde voor de spanningen in het Koninkrijk Barotseland, het westelijke deel van Zambia dat grenst aan Angola. Barotseland wilde een autonoom deel van Zambia blijven, geen provincie, en heeft een unieke traditie met een eigen koning, de Litunga. Bij de vorming van de Republiek Zambia als eenheidsstaat is de positie van het ‘Barotse Royal Establishment’ vastgelegd in het Barotseland Agreement 1964. Dit akkoord moet verankerd worden in de Grondwet van Zambia, maar dit stuit bij de Zambiaanse regering nog altijd op bezwaren.

Hall kende het koninkrijk en de fascinerende geschiedenis. ‘Als westerling moet je neutraal blijven, blijf buiten dit conflict’, adviseerde hij. ‘Een ideaal is nooit honderd procent haalbaar en nooit helemaal bereikbaar.’

Met president Kaunda sprak hij veel over de positie van de nieuwe Republiek Zambia in relatie tot het door apartheid geteisterde Zuidelijk Afrika. Kaunda hield de principes van het Zambiaans humanisme hoog in het vaandel en was niet bereid tot enige handel met het toen nog witte Rhodesië [het huidige Zimbabwe – red.]. En de president wenste zeker niet het apartheidsregime in Zuid-Afrika te steunen.

‘Tegen een hoge prijs’, zei de hoofdredacteur van The Times of Zambia. Daarover had hij juist een boek geschreven, The High Price of Principles. Hier sprak een Britse pragmaticus die niet zozeer uitging van principes, maar van realiteiten. Zijn informatie bood ons een direct bruikbaar, realistisch kader. En ook een waarschuwing om vanuit morele principes niet koste wat het kost het uiterste op te zoeken.

Een onverkwikkelijke ontvangst
‘And this is your house!’ Bij het openen van de deur door de directeur van de school, schoot de deur uit de sponningen. De deur bleek verrot. Het huis had vrijwel geen plafond. Tegen het zinken golfplaten dak hingen tientallen vleermuizen die ’s avonds bij het licht van een draagbare Britse legerlamp rakelings langs je hoofd scheerden. Er was geen elektriciteit, geen koelkast voor onze boodschappen. Er stond wel een zwartgeblakerd houtfornuis.

We kregen twee bedienden toegewezen. Mwangala was de wood boy. Hij had een dagtaak aan het vinden van hout. Alice zorgde dat het vuur in de oven bleef branden. Zij bakte het brood en deed de was in een roestbruin uitgeslagen badkuip waarvan het emaille was vergaan en die als het donker werd, bezaaid was met honderden kakkerlakken. ’s Morgens waren die weer verdwenen en kon de was erin gedaan worden.

Al het wasgoed moest na het drogen zorgvuldig en heet worden gestreken vanwege Bilharzia, een worminfectie. De larven leven in besmet water, kunnen zich nestelen in nat wasgoed en door de huid dringen en zich ontwikkelen tot wormen die chronische infecties veroorzaken. Ook na jaren blijven infecties zich voordoen.

Strijken ging met een ijzeren strijkijzer dat je verwarmde op het houtfornuis, daarna onder het roet zat, gereinigd moest worden, dan te veel was afgekoeld, en ga zo maar door. Een dagelijkse strijd.

Het water was niet drinkbaar. Daarom moesten we het eerst verhitten en twintig minuten aan de kook houden. Daarna deden we het water in juten waterzakken, hingen die in de volle zon zodat het water afkoelde door verdamping. Als er geen water was, moesten we dat halen uit een riviertje, waar ook de koeien doorheen liepen en waarin diverse uitwerpselen ronddreven.

De was zette Alice dan in een bak op haar hoofd, het pak waspoeder er rechtstandig bovenop. De jerrycan ging mee voor drinkwater en zo daalde ze elegant de heuvels af. Daarna zeulde ze met het natte wasgoed kaarsrecht de zandheuvels op. De volle jerrycan op haar hoofd hield ze met één hand vast.

Voor het afval hadden we een kuil. Tot mijn schrik zag ik kinderen de beschimmelde sinaasappelschillen eruit vissen en oppeuzelen. Toen ik ze wat brood gaf, kwamen er steeds meer kinderen. Alice schudde haar hoofd, klapte in haar handen, riep iets van ‘vort jullie’ en jaagde ze weg. Zo deed je dat dus, je wist gelijk waar je was!

Er hoorden ook vijf katten bij het huis, niet gecastreerd of gesteriliseerd, en eentje zonder staart. Een oude missionaris wist er raad mee.

‘Kom maar, heb je een hamer?’ Hij pakte een kat bij de kop en sloeg met de hamer precies tussen beide oortjes en verbrijzelde de schedel.

‘Ja het is niet leuk, maar binnenkort heb je er vijftien en ze verspreiden allerlei ziektes.’ Hij en Sjoerd, die toen mijn man was, begroeven de dode katten stoïcijns in het zand. Het was niet anders.

De keuken was zwart. Zwart van roet en viezigheid. Onze ‘Hof van Eden’ verkeerde in de meest abominabele staat van alle lerarenhuizen. Voor ons verbleven hier twee Engelsen en die stonden bepaald niet bekend om hun hygiëne. ‘Really scruffy people.’ Nadat we de aangekoekte pannen hadden schoongekrabd, vonden we onderin een kast een pot witte verf en een kwast. Dit was ons moment.

De deur van de keuken schilderden we wit. Helaas, de volgende ochtend bleek de deur besmeurd met tientallen kakkerlakken, vastgeplakt op hun rug in de natte verf, met hun kronkelende pootjes omhoog. De verf was bovendien te oud en droogde niet meer. Na weken was de deur nog kleverig. Er zat niets anders op dan de lijken van de kakkerlakken een voor een los te peuteren met een mesje en een doekje.

Dit artikel is onderdeel van het boek Levenscirkel van Marianne Douma. Klik hier voor meer informatie.

Winkelwagen
Scroll naar boven