Wanneer speelde jij voor het laatst? Niet een bordspel, maar écht spelen – ongedwongen, met een gevoel van vrijheid, alsof de wereld een lege ruimte is waarin jij betekenis kunt scheppen. Theatermaker en docent Geert Belpaeme nodigt ons in zijn boek De speelse mens uit om opnieuw naar de rol van spelen te kijken. Niet alleen als een kinderlijk tijdverdrijf, maar als een fundamenteel onderdeel van ons mens-zijn.
Door: Jaimy Meyer
Volgens Belpaeme, die voortbouwt op Johan Huizinga’s concept van de homo ludens (‘de spelende mens’), ligt de kern van spel in zijn betekenisloosheid. Een betekenisloosheid die niet leeg is, maar juist vol mogelijkheden zit om nieuwe betekenissen te scheppen. Huizinga beschreef spel als een handeling die geen extern doel dient; het spel is een doel op zich. In het spel ontdekken we hoe we de wereld vorm kunnen geven, en daarmee ook onszelf. Zoals Belpaeme het stelt: ‘Je moet spelen om te kunnen bestaan als mens.’ Het is een oefening in vrijheid, een gebied waar de beperkingen van het dagelijks leven tijdelijk worden opgeheven. Echter, in een wereld die steeds meer gericht is op productiviteit en doelmatigheid, stelt Belpaeme dat deze speelse houding vaak verloren gaat. In de moderne cultuur wordt nauwelijks meer ‘gespeeld’, en waar er sprake is van spel, is het spel vaak vals – als onderdeel van een performance of van sociale verwachtingen. Als gevolg breekt de spelbreker niet alleen het spel, maar ook de cultuur zelf, zoals Huizinga het krachtig verwoordt.
Een van de meest intrigerende aspecten van spelen is wat Belpaeme ‘wereld-maken’ noemt. Wanneer we spelen, stappen we in een sfeer waarin betekenis nog niet vaststaat. Dit maakt dat spel niet draait om naspelen, als een reflectie van de bestaande wereld, maar eerder vóórspelen – het aftastend experimenteren met handelingspatronen die nog niet vaststaan. Hierin schuilt de kracht van spel als een fundamenteel onderdeel van ons bestaan, al vanaf onze eerste jaren op de wereld. Het geeft ons de mogelijkheid om abstracties te vormen en de wereld alsmaar op nieuwe manieren te zien. Belpaeme geeft het voorbeeld van een kind dat speelt met een papieren vliegtuigje. Dat kind betreedt een ruimte waarin het vliegtuigje meer is dan een object – het wordt een symbool, of een mogelijkheid. Maar zodra het kind beseft dat het ‘goed’ gooien van het vliegtuigje afhankelijk is van een bepaalde logica, verandert het spel. De onbepaaldheid maakt plaats voor structuur, en het spel wordt serieuzer. De handelingen draaien nu niet meer om spel, maar om functionaliteit. Om het spel te redden van zekerheden, zoals functionaliteit, moeten we deze zekerheden loslaten. Dit proces, wat Belpaeme ‘ontzekeren’ noemt, vormt de kern van creativiteit en verandering.
De sociale dimensie van spel
Spelen heeft ook een diep sociale dimensie. Door te spelen leren kinderen hoe ze zich kunnen verhouden tot anderen. Het spel wordt een oefening in sociaal gedrag, een manier om de structuren van het bestaan te verkennen. Maar volgens Belpaeme houdt het spelen niet op bij de kindertijd. Ook volwassenen blijven spelen, al lijkt dat spel vaak meer beladen met sociale verwachtingen. De ‘rollen’ die we aannemen in ons dagelijks leven – als ouder, werknemer of sporter – zijn volgens Belpaeme ook een vorm van spel. We spelen deze rollen niet slechts voor anderen, maar ook voor onszelf, in een voortdurende zoektocht naar geloofwaardigheid en authenticiteit. Hier raakt Belpaeme aan de existentialistische filosofie van Jean-Paul Sartre, die stelde dat we in ‘kwade trouw’ leven wanneer we onszelf reduceren tot een vaste rol. Spelen kan ons helpen deze beperking te doorbreken. In het spel zijn we niet gebonden aan een enkele identiteit; we kunnen experimenteren, falen en opnieuw beginnen. Dit maakt spelen tot een oefening in vrijheid, een manier om de lasten van sociale conventies los te laten en onszelf opnieuw uit te vinden. Deze voortdurende speelse dynamiek, waarin identiteit nooit volledig vastligt maar altijd openstaat voor vernieuwing, biedt een tegenwicht tegen de verstarring van het sociale leven. Het helpt ons kritisch te blijven over de rollen die we aannemen en daagt ons uit om onszelf telkens opnieuw te definiëren.
Door deze sociale functie vormt spelen volgens Belpaeme ook de basis voor onze cultuur. De regels en structuren van een spel worden gezamenlijk gecreëerd en onderhouden, wat een diepere verbinding tussen spelers mogelijk maakt. Ook het theater is voor Belpaeme een bijzondere vorm van spel, omdat het zowel vrijheid als beperking combineert. Op het toneel worden handelingen voortdurend beoordeeld door het publiek, wat de spelers dwingt om zich bewust te zijn van hun acties en keuzes. Tegelijkertijd biedt het theater een ruimte waarin alles mogelijk is – een plek waar nieuwe realiteiten kunnen worden onderzocht en verbeeld. Deze spanning tussen vrijheid en beperking is volgens Belpaeme kenmerkend voor alle vormen van spel en maakt het tot een krachtig middel voor zelfonderzoek en culturele vernieuwing. Het theater fungeert hierbij als een spiegel waarin we onszelf en onze samenleving kunnen onderzoeken, een oefenterrein voor de manier waarop we ons tot elkaar verhouden en onze wereld vormgeven.
Betekenis vanuit spel
Dat Belpaeme spelen voornamelijk behandelt als onderdeel van het theaterspel, roept echter ook vragen op. Zo geeft hij aan dat spelen in álle gevallen ‘de ambigue vormgeving van de eigen aanwezigheid in relatie tot de blik van de ander’ is. Dit suggereert dat spelen altijd een sociaal element heeft, wat solitaire vormen van spelen zoals dagdromen, fantaseren, of simpelweg zelf iets creëren, aan de kant zet. Kan je de activiteit van het kind met het papieren vliegtuigje alleen spelen noemen als het kind dit doet met de blik van een ander op zich? Dat lijkt me niet. Het gebrek aan uitleg hierover is een gemiste kans, want wie na het lezen van dit boek voorzichtig op zoek wil naar meer spel in het eigen leven, zoekt dit waarschijnlijk liever niet gelijk binnen de intimiderende blik van een ander. De compactheid van het boek – met slechts rond de 70 pagina’s – dwingt Belpaeme helaas vaker tot beknoptheid, wat de lezer soms met meer vragen dan antwoorden achterlaat.
Wat me ook opvalt, is Belpaeme’s omgekeerde manier van verkennen. Zijn mozaïek van kleine stukjes theorieën voelt soms willekeurig en onsamenhangend – en af en toe zelfs tegenstrijdig – omdat de theorieën vanuit het niets aangehaald lijken te worden. Maar de aanhoudende lezer zal merken dat deze willekeurigheid komt door een omgedraaide structuur. Belpaeme introduceert zijn onderwerpen steeds met een basistheorie, vaak van een bekende filosoof, die hij later vergelijkt met voorbeelden uit zijn eigen theaterlessen. De theateroefeningen lijken daarom in eerste instantie ondersteuningen van de theorie, maar in werkelijkheid ondersteunt de theorie de fenomenen uit de theaterlessen. Zo introduceert Belpaeme bijvoorbeeld het gevoel van kortsluiting dat zijn leerlingen op het podium ervaren, als een praktijkvoorbeeld van allerlei theorieën over onbalans, abstractie en ‘ontzekeren’. Bij het lezen van deze theorieën dacht ik vaak: waar leidt dit naartoe? Achteraf blijkt dat de kortsluiting zelf de start is van dit onderzoek, en dat de theorieën zijn uitgekozen om dit uit te leggen. De expertise van Belpaeme ligt voornamelijk in zijn ervaring met het theaterspel en het lesgeven aan theaterspelers. Daarom bestond de ervaring van de kortsluiting voor Belpaeme vermoedelijk al vóórdat hij het onderzoek in is gedoken. Dit lijkt een klein verschil, maar omdat het boekje begint met de theorieën, vraagt het regelmatig wat geduld bij het begrijpen waar een argument heen gaat.
Gelukkig loont dit boekje het geduld wel. Wie het vroegtijdig weglegt, verward door de manier van verkenning, mist een van Belpaeme’s belangrijkste argumenten.Spelen, zo stelt Belpaeme, ontstaat uit het niets, uit een lege ruimte waarin betekenis gecreëerd kan worden. ‘Stel je voor dat alles iets is. Wat blijft er dan nog te creëren?’ vraagt hij in zijn lessen. Bij het schrijven van dit boek gebruikt hij een vergelijkbare methode, door de betekenis eerst te ontdekken in de praktijk, en deze daarna verder te verkennen met bestaande theorieën. De speelse mens lijkt daarom niet alleen over spelen te gaan, maar het lijkt ook de werking van spelen te reflecteren. Het kan onwennig voelen om deze speelse houding te omarmen, vooral in een tijd waarin productiviteit vaak zwaarder weegt dan verbeelding. Toch is dit volgens Belpaeme precies wat we nodig hebben: een herwaardering van het spel als bron van vrijheid, creativiteit en verbinding. Spelen herinnert ons eraan dat we altijd meer zijn dan de rollen die we spelen. Misschien is dat wel de grootste waarde van spel: dat het ons herinnert aan de mogelijkheden van het mens-zijn.

Geert Belpaeme, De speelse mens. Borgerhout: Letterwerk, 2024

