Tegendraads reflecteren

We onderwerpen ons vrijwillig aan gezag, aan instituties en dus aan dogmatiek. We kunnen schijnbaar niet anders. Juist daarom, zo betoogt René ten Bos in zijn boek Het laatste woord, is het zaak om de eigenzinnige, afwijkende mening te koesteren.

Door Tjeerd Boorsma

Het voelt wat eigenaardig en tegenstrijdig om een recensie te schrijven over een boek dat pleit voor eigenzinnigheid en afwijkend gedrag, geschreven door een auteur die naar eigen zeggen ‘lust heeft tot tegenspraak’. Ik ben regelmatig aan het worstelen om mij te houden aan een bepaalde opmaak, een bepaald aantal woorden en een strakke deadline. Kortom: mijn stuk moet in een bepaalde vorm gegoten worden. Mijn worsteling zal René ten Bos niet vreemd zijn. Hij heeft immers een boek geschreven, het bij een uitgeverij laten uitgeven en hij geeft interviews en doet boekpresentaties: precies ‘zoals het hoort’. Lukt het hem om ons, ondanks deze ongemakkelijke tegenstrijdigheid, te overtuigen?

Het laatste woord opent met het beeld van een kliederende en brabbelende peuter. Het vrije gewauwel en de rommelige lijnen en klodders doen ergens wel denken aan taal of een beeld, maar wat dat gebrabbel en geklieder moet voorstellen weet niemand. Omstanders zijn naarstig op zoek naar een betekenis die ergens in die wirwar te ontdekken moet zijn en halen opgelucht adem als er uiteindelijk ‘auto’ gezegd wordt, of er daadwerkelijk een herkenbare auto getekend wordt. Het is deze hang naar de invulling van gebrabbel en geklieder, de onuitroeibare wens om van het dat van een fenomeen een wat te maken, om het vormloze in een vorm te gieten, die René ten Bos in zijn boek onderzoekt. Hij wil ‘onrust aanwakkeren over deze dominante denkfiguur, die ten grondslag ligt aan alle dogmatiek en institutionalisme’. Wat veroorzaakt deze hang naar dogmatiek en waarom willen mensen zo graag iets of iemand die het laatste woord spreekt?

Dogmatisch geloof

Ondanks dat er steeds minder in naam van God of religie wordt gesproken, is er nog genoeg in de huidige tijd waaraan niet getwijfeld mag worden. In naam van rechtvaardigheid, gezondheid, efficiency of duurzaamheid wordt tegenspraak of twijfel weggewuifd als irrelevant en ‘idioot’. Ten Bos voert ons langs deze begrippen en de instituties die ze moeten handhaven en uitvoeren, en laat op geraffineerde wijze zien hoe mensen telkens van niets iets maken, om uiteindelijk in naam van dat iets of iemand te handelen. Door je te onderwerpen aan een bepaald dogma of een institutie wordt het pas mogelijk om iemand te worden. Door je te spiegelen aan iets dat groter of hoger is dan jezelf krijgt het individu vorm, dan verdwijnt dat ten gunste van wat naar de achtergrond. Zo gebeurt in de managementwereld alles in naam van efficiency: ‘Doordringen en doorvragen is er niet bij, doorpakken wel.’ Als je efficiënt bezig bent, dan doe je het goed, je kunt je eigen bestaan zo vullen met vorm. De vraag waarom is niet relevant, het gaat erom of het werkt.

Ook in de gezondheidszorg is men niet vies van dogmatiek. René ten Bos maakt inzichtelijk hoe epidemiologen, die opgeleid zijn om te analyseren, beschrijven en informeren, in de verleiding komen om meer te doen dan dat alleen. In naam van de volksgezondheid doen ze normerende uitspraken en durven ze gerichte adviezen te geven, waarmee ze zich in het grijze gebeid begeven tussen informeren en propaganderen. We worden gewezen op welke gedragingen ‘goed’ en welke ‘slecht’ voor de gezondheid zijn, gevolgd door voorlichting en aanbevelingen. Twijfelaars en sceptici worden naar het rijk der idioten verbannen.

Mooi in dit kader is de aandacht die Ten Bos schenkt aan wat hij in dit kader als militia sine malitia bestempelt: mensen die ervan overtuigd zijn dat je voor het goede kunt strijden (militia) zonder dat je kwaad doet (sine malitia), zonder dat je daarbij je handen vuil hoeft te maken. Mensen die ervan overtuigd zijn voor de goede zaak te strijden hoeven andersdenkenden niet serieus te nemen. Het doel waarvoor gestreden wordt, kán niet verkeerd zijn, en daaruit volgt dat de middelen die daarvoor ingezet worden dat ook niet zijn.  Zeker in een tijd waarin gezondheid als het hoogste goed gezien wordt, is dit een gegeven dat vaak onderbelicht blijft. Voor gezondheid moet alles wijken, want ‘Wat zijn waarden als eerlijkheid, integriteit, rechtvaardigheid of vrijheid nog waard als ik niet gezond ben?’. Het maakt dat het denken over gezondheid door en door gemilitariseerd is: gevaren die het lichaam bedreigen moeten bestreden, zelfs uitgeroeid worden. ‘Collateral damage’ wordt voor lief genomen, of erger: genegeerd. Gezondheid is het wat geworden.

Volgens Ten Bos roepen gezondheidsdreigingen dus militante attitudes op. Zo kwam tijdens de coronapandemie een bepaald kwaad (het coronavirus) onder een vergrootglas te liggen waardoor men voor ander kwaad (aantastingen van integriteit, rechtvaardigheid of vrijheid) geen oog meer had.  Hij citeert hier medisch historicus en toenmalig adviseur van de Franse regering Patrick Zylberman: ‘Snelheid en bruut geweld, dat is de onaantastbare positie van alle epidemiologen en infectiologen.’

Het gezag van kennis

Het laatste woord is rijkgevuld met zulke bijzondere citaten. We worden getrakteerd op teksten van een enorme hoeveelheid denkers, schrijvers en politieke en religieuze leiders, van Plato tot Gadamer en van Ovidius tot Orwell. Dat is meteen ook het nadeel van een bevlogen filosoof met een haast onuitputtelijke bron van achtergrondkennis: van tijd tot tijd laat Ten Bos zich meeslepen door zijn verteldrang en verschijnt er om de haverklap een citaat. Hoe mooi ze ook zijn, het verstoort soms wel het ritme van het verhaal.

Hetzelfde speelt bij zijn liefde voor etymologische duiding van woorden en begrippen. Ook dat is vaak heel inzichtelijk en interessant, maar niet altijd even relevant. Op die momenten gaat dat ten koste van de leesbaarheid van het boek. Zo legt hij eerst met voorbeelden heel mooi uit dat ‘interpelleren altijd een verstoring of interruptie is’, om vervolgens nog eens te laten zien dat het woord teruggaat op het Latijnse inter (‘tussen’) en pellere (‘stoten, ‘drijven’). Een onsje minder citaten en etymologische duiding had wel gemogen.

Narcisme

Het neemt niet weg dat Het laatste woord precies doet wat een goed filosofisch boek zou moeten doen: het zet je aan het denken. Keer op keer worden we geconfronteerd met onze eigen onderwerping aan gezag, instituties en dogmatiek en de manier waarop dit tot verheffing zou moeten leiden. Met name het hoofdstuk waarin de mythe van Narcissus aan bod komt is buitengewoon spannend. Het verhaal van een naakte ziel die niet weet wat hij met zijn spiegelbeeld aan moet en daaraan ten gronde gaat, illustreert prachtig hoe ‘alle dogmatiek of institutionalisme en ideologie vastlopen op het verduvelde probleem van de innerlijkheid’. Narcissus ziet zichzelf in de weerspiegeling van de vijver en beseft dat hij de oorsprong is van dit spiegelbeeld, waardoor de voorheen ‘naakte ziel’ begrijpt dat hij meer is dan een dat zonder eigenschappen. Narcissus stijgt uit boven zijn oorspronkelijke ik.

Dit narcisme huist volgens René ten Bos in ons allemaal. Wij spiegelen ons aan iets wat hoger is dan wijzelf (gezag, autoriteit, instituties) om te kunnen bepalen wie of wat wij zijn. In onze tijd lijkt het spiegelbeeld niet zozeer het probleem, als wel het ideaalbeeld dat we in die spiegel verwezenlijkt willen zien worden. We onderwerpen ons vrijwillig aan deze hogere vorm van het ik. Deze wens wordt volgens Ten Bos verabsoluteerd ten koste van de werkelijkheid en maakt dat we in een tijd leven waarin dogmatiek geïndividualiseerd is: ‘Het ik wil en krijgt het laatste woord.’ Van de omstanders verwachten we enkel instemming met onze aanhoudende pogingen om het ideaal te bereiken.

De idioot

René ten Bos is naar eigen zeggen ‘een idioot’ en zijn boek is een pleidooi voor idiotie. Vanzelfsprekend doelt hij niet op de betekenis van de idioot als krankzinnige of onontwikkelde, maar op de oud-Griekse betekenis van eigenzinnig, afwijkend en tegendraads. Het zijn de idioten die zich losweken van de vastgeroeste vraag hoe we dingen moeten doen en zich afvragen waarom we de dingen moeten doen die we doen. Ze bevrijden ons even van de dogmatische dwangbuis en laten ons het dat ervaren om zo het wat te kunnen bevragen. Dit aanhoudend twijfelen en bevragen moet leiden tot een mens die zelf actief wordt in het kennisproces. We moet idioten serieus nemen, want bevraagd worden door iets wat niet vormvast is maakt weerbaar.

Ik ben het met René ten Bos eens: hij is een idioot. Hij slaagt er met Het laatste woord in ons te confronteren met tegenstrijdigheden en ons onze naaktheid te laten voelen. Dus ondanks de tegenstrijdigheid die schuilt in de vorm van zijn betoog, laat ik me er graag door in mijn hemd zetten.

René ten Bos, Het laatste woord. Twijfelen aan zekerheden. Amsterdam: Boom, 2025.

Winkelwagen
Scroll naar boven