Over vrede | Column Dirk De Schutter

Door: Dirk De Schutter

Bij wijze van bezinning zal ik hier stilstaan bij twee teksten: een tekst van Thomas Mann en een tekst van Karl Jaspers.

De eerste tekst betreft de voordracht die Thomas Mann gehouden heeft in The Library of Congress in Washington D.C., toen hij zijn monumentale roman Jozef en zijn broers voorstelde. We schrijven 17 november 1942, de donkere nacht van Wereldoorlog II, tien maand na de Wannsee-conferentie, waar de nazi’s onder leiding van Himmler en Heydrich beslisten om het Joodse volk uit te roeien, en minder dan drie maand voor het Duitse Zesde Leger onder leiding van maarschalk Friedrich Paulus in Stalingrad de strijd staakte en zich overgaf. Thomas Mann eindigt zijn voordracht met de volgende, te denken gevende zin: ‘Het woord “vrede” heeft altijd een religieuze klank…’ Die zin moet toentertijd de toehoorders verrast hebben; vandaag wekt die – zo mogelijk – nog meer verbazing, want we associëren religie helemaal niet met vrede, eerder met oorlog, nu we wereldwijd al jaren getuige zijn van extremistische en fundamentalistische aanslagen, gepleegd in naam van het jodendom, het christendom, de islam en het hindoeïsme. Precies tegen die religieus geïnspireerde oorlogszucht keert Thomas Mann zich met zijn roman, die de verhalen over de Joodse aartsvaders Abraham, Isaac en Jacob, en over de zonen van Jacob hervertelt.

De laatste zin van de roman luidt: ‘En zo eindigt het mooie verhaal en de godsuitvinding van Jozef en zijn broers.’ Mann buigt zich over wat hij de ‘godsuitvinding’ noemt, hoe in een ver verleden mensen die wij onze aartsvaders noemen, breken met de verering van dieren als de stier of de valk, met vruchtbaarheidsriten, met de vergoddelijking van de zon en de maan. Ze nemen het stoutmoedige besluit om zich aan de Allerhoogste te binden. Wie dat is, weten ze niet; wat dat betekent, weten ze evenmin, maar in een mengeling van rusteloosheid en waardigheid die volgens Mann de echte spiritualiteit kenmerkt, beginnen ze te zoeken. Ze beginnen te zwerven, speurend naar wat dat verbond met de Allerhoogste verbergt en bewaart.

Mann gaat op zoek naar een spiritualiteit die breekt met elke vorm van obscurantistische mythologie en de mensen verheft tot de gezellen van God. De mensen en God zijn opgenomen in een verbond, ze zijn van elkaar afhankelijk en die wederzijdse afhankelijkheid verstrengelt ze in een gemeenschappelijk streven. De mensen ontdekken dat God niet briest als een stier, niet toornig is als een vulkaanuitbarsting en niet heerst als een soeverein, maar verschijnt in de zorg van de ene mens voor de ander. En God ontdekt dat hij zijn titanische driftbuien die hem in de verleiding gebracht hebben om delen van de schepping te verwoesten, moet achterwege laten en de mensen tijd dient te geven. In hun wederzijds verbond brengen de mensen en God het beste in elkaar naar boven en verheffen ze elkaar.

Voor Mann staat godsdienst absoluut niet gelijk met onderwerping, maar met verheffing, met opstand en sublimering. In die sublimering wordt niet op een hiernamaals gejaagd, maar op een menswaardig en heilzaam leven hier op aarde. Godsdienst houdt niet vast aan het verouderde en achterhaalde, maar bekommert zich om wat altijd opnieuw de wereld ten goede komt.

Dat is volgens Mann de betekenis van het geweigerde Isaac-offer, waarbij de mens vervangen wordt door het dier. Met weinig sympathie spreekt hij over Laban, bij wie Jacob jarenlang werkt om er eerst met Lea en dan met Rachel te trouwen. In de hoop op een gezegend bestaan slachtte Laban zijn eerstgeboren zoon en metselde hem in de fundamenten van zijn huis in. Voor een dergelijk leven, dat er niet in slaagt zich los te maken van verouderde zeden, gebruikt Mann het woord ‘domheid’. Hij pleit voor ‘godsverstand’, ‘Gottesklugheit’, door hem ook wel ‘vroomheid’, ‘Frömmigkeit’, genoemd. Het mag duidelijk zijn dat vroomheid hier niet bestaat uit een slaafse devotie, maar wel uit een kritische toewijding en standvastigheid: een aandacht voor geestelijke noden, een bekwaamheid om de tekenen des tijds te lezen. Zonder die vroomheid blijft vrede onmogelijk.

Daarom kunnen we ons de vraag stellen: zou het kunnen dat de vrede ontzegd is aan de hedendaagse wereld, die er maar niet in slaagt een reeks bloedige conflicten te beëindigen, precies omdat die wereld niets meer van religie begrijpt, religie verbasterd heeft tot martiaal fanatisme en religie verwart met institutionele ijdeltuiterij en ideologische verdwazing? In de donkerste oorlogsjaren gaat Thomas Mann op zoek naar een religiositeit of spiritualiteit die de waardigheid van de menselijke persoon verbindt met de waardigheid van de mensheid. Die spiritualiteit bestaat uit een opmerkzaamheid die aandacht heeft voor een heilzaam leven hier op aarde, een oplettendheid die niet vasthoudt aan het achterhaalde en verouderde, een vroomheid die beseft dat het achterhaalde meer dan eens in gruwelijke uitwassen voortwoekert. Allicht zijn we het erover eens dat nazi-Duitsland ten prooi was aan barbaarse en aftandse opvattingen over volk en ras en bloed en bodem. Maar misschien wordt het hoog tijd dat we ons afvragen in naam van welke achterhaalde en aftandse principes de wereld vandaag bestuurd wordt. Die vraag is volgens Thomas Mann verwant met de religieuze zoektocht naar de plaats van de mensen op aarde. Ze roept om een ander soort denken, een denken dat niet rekent en programmeert, maar zich bezint over de betekenis van wat gebeurt.  

‘We moeten de bereidheid tot denken herstellen’: met deze oproep begint Karl Jaspers zijn onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog gepubliceerd essay De schuldvraag. Jaspers schetst de situatie van de naoorlogse Duitsers in het overwonnen Duitsland, maar het is – vreemd genoeg – een situatie die we vandaag de dag herkennen: de situatie van verstrooidheid en verdeeldheid, waarbij iedereen op zichzelf teruggeworpen is en iedereen als enkeling hulpeloos achterblijft. Het politieke herstel van Duitsland en Europa koppelt Jaspers aan een gesprek waarin gezocht wordt naar wat wij, mensen, delen en erkend wordt dat we een ontreddering delen en een gebrek aan gemeenschappelijkheid. De catastrofale toestand waarin we ons bevinden, kan enkel overwonnen worden, als we het besef toelaten dat die catastrofe ons niet zomaar van buiten af overkomt, maar dat we zelf verwikkeld zitten in en verantwoordelijkheid dragen voor wat ons overkomt. Onze reddeloze verlorenheid kunnen we enkel te boven komen als we opnieuw op zoek gaan naar wat het betekent om mens te zijn en een samenleving te stichten en ons realiseren dat het antwoord op die vragen niet ligt in juridische haarkloverij, technologische spitsvondigheid, wapengekletter, of een winstgevende economie. Dat besef zal ons dagen, aldus Jaspers, als we een nieuwe maat vinden. Die maat en de mogelijkheid van politiek herstel en vrede koppelt Karl Jaspers in de laatste bladzijden van zijn boek aan wat hij een ‘zuivering van de ziel’ noemt en ‘deemoed’ – eens te meer existentiële ervaringen die hun oorsprong hebben in een religieuze stemming. Er is geen vrede zonder deemoed, zonder de bescheidenheid die toegeeft de waarheid niet te bezitten en op vele vragen geen antwoord te hebben, zonder de zorg die de kwetsbaarheid van al wat leeft respecteert, zonder het vertrouwen dat een gesprek met anderen in de wereld tot eensgezindheid kan leiden. Daar ligt onze nood – in de dubbele betekenis van het woord: het is ons tekort en onze plicht.

Laat mij eindigen met enkele verzen van Paul Celan, die als geen ander woorden gevonden heeft voor de stuurloosheid en ontwrichting van de hedendaagse wereld: ‘Het is tijd voor besef! Het is tijd dat het hart van de onrust gaat kloppen. Het is tijd dat het tijd wordt. Het is tijd.’

Winkelwagen
Scroll naar boven