‘Niet in slaap vallen! Hier kunnen we iets van leren.’

Een fragment uit de eerste lezing van Friedrich Nietzsches Over de toekomst van onze onderwijsinstellingen, dat onlangs verscheen bij ISVW Uitgevers, in vertaling van Thomas Heij. In deze lezingenreeks uit 1872 ensceneert Nietzsche een verhaal over twee jonge studenten. Op een open plek in het bos, met uitzicht op de Rijn, zijn zij getuige van een gesprek tussen een oude filosoof en diens jongere metgezel, een leraar.

Plotseling werd ik me ervan bewust dat ik kon horen wat ze zeiden, dat ik luisterde, dat ik vol overgave luisterde, een en al oor. Ik porde mijn misschien wat vermoeide vriend en zei zachtjes tegen hem: ‘Niet in slaap vallen! Hier kunnen we iets van leren. Het gaat over ons, al is het niet voor ons bedoeld.’

Ik hoorde namelijk hoe de jonge metgezel zich tamelijk opgewonden verdedigde, terwijl de filosoof hem juist met steeds hardere stemverheffingen aanviel. ‘Je bent niets veranderd,’ riep hij tegen hem, ‘helaas niets veranderd; ik kan niet bevatten hoezeer je nog dezelfde bent als zeven jaar geleden, toen ik je voor het laatst zag en ik je met onzekere hoop liet gaan. Van dat moderne onderwijsjasje waarin je intussen bent gestoken, moet ik je, geheel tegen mijn zin, weer ontdoen – en wat tref ik daaronder aan? Hetzelfde onveranderlijke, “intelligibele” karakter, zoals Kant het noemt, maar helaas ook het onveranderde intellectuele karakter – wat waarschijnlijk ook niet anders kan, maar weinig geruststellend is. Ik vraag me af waarom ik als filosoof heb geleefd, als hele jaren die je in mijn gezelschap hebt doorgebracht geen duidelijke indrukken hebben achtergelaten op een niet afgestompte geest met ware leergierigheid! Nu gedraag je je alsof je nog nooit die kardinale stelling met betrekking tot alle vorming hebt gehoord waarop ik toch zo vaak ben teruggekomen in onze vroegere gesprekken. Nou, wat was die stelling?’

‘Ik herinner me,’ antwoordde de berispte leerling, ‘dat u pleegde te zeggen dat geen mens naar ontwikkeling zou streven als hij wist hoe ongelooflijk klein het aantal waarlijk gevormden uiteindelijk is en kan zijn. En zelfs dit kleine aantal waarlijk ontwikkelden zou niet mogelijk zijn als er geen grote massa zou zijn die zich, in wezen tegen haar natuur in en slechts onder invloed van verleidelijke misleiding, met vorming zou bezighouden. Daarom mag men in het openbaar niets onthullen over de belachelijke onevenredigheid tussen het aantal waarlijk gevormden en het immense onderwijsapparaat; hierin schuilt het ware geheim van het onderwijs, namelijk dat talloze mensen ogenschijnlijk voor zichzelf strijden voor onderwijs, opkomen voor het onderwijs, maar dat in feite alleen doen om het mogelijk te maken voor een kleine groep mensen.’

‘Dat is de stelling,’ zei de filosoof, ‘en toch kon je haar ware betekenis vergeten, zodat je nu gelooft dat jij een van die weinigen bent? Je hebt dat overwogen, dat merk ik wel. Maar dat is nou typisch onderdeel van het onwaardige karakter van het hedendaagse onderwijs. Men democratiseert de rechten van het genie om zelf maar niet te hoeven werken aan en verlangen naar vorming. Iedereen wil wel neerstrijken in de schaduw van de boom die het genie heeft geplant. Iedereen wil wel ontsnappen aan de zware plicht om voor het genie te werken om diens scheppingen mogelijk te maken. Wat? Je bent te trots om leraar te willen zijn? Je veracht de opdringerige menigte van leerlingen? Je laat je minachtend uit over de taak van de leraar? En vervolgens wil je, in vijandige afzondering van die menigte, een eenzaam leven leiden, en mij en mijn levenswijze nadoen? Je denkt dat je gladjes kunt bereiken wat ik na lange, volhardende strijd om überhaupt als filosoof te kunnen leven uiteindelijk voor mezelf heb verworven? En je bent niet bang dat de eenzaamheid zich op je zal wreken? Probeer maar eens een kluizenaar van de vorming te zijn: je moet een overmatige rijkdom bezitten om op jezelf voor allen te kunnen leven!… Vreemde leerlingen! Jullie denken altijd het moeilijkste en zwaarste, wat louter de meester mogelijk is geworden, te moeten imiteren. Terwijl juist jullie zouden moeten weten hoe moeilijk en gevaarlijk dit is en hoeveel uitmuntende talenten er nog door te gronde kunnen gaan!’

‘Ik wil niets voor u verbergen, mijn leermeester,’ zei de metgezel. ‘Ik heb te veel van u gehoord en ben te lang met u omgegaan om mij met huid en haar aan het huidige vormings- en onderwijswezen te kunnen overleveren. Ik ben me maar al te bewust van die hopeloze dwalingen en misstanden waarop u placht te wijzen – en toch voel ik in mij weinig van de kracht die ik nodig zou hebben om te slagen, als ik dapper zou strijden. Een algehele moedeloosheid overviel me; de vlucht in eenzaamheid was geen hoogmoed, geen verwaandheid. Ik wil u graag vertellen welke kenmerken ik heb ontwaard in de vormings- en onderwijskwesties die nu zo levendig en opdringerig de ronde doen. Het kwam me voor dat ik twee hoofdrichtingen moest onderscheiden – twee op het oog tegengestelde stromingen, met een even verderfelijke uitwerking en uiteindelijk eenzelfde uitkomst, die tegenwoordig onze onderwijsinstellingen beheersen: enerzijds de drang naar de grootst mogelijke verbreding en verspreiding van onderwijs, anderzijds de drang naar het beperken en verzwakken van het onderwijs zelf. Onderwijs moet om verschillende redenen in een zo groot mogelijke kring verspreid worden – dat verlangt de eerste tendens. De andere verwacht daarentegen dat het onderwijs zijn hoogste, edelste en verhevenste aanspraken opgeeft en zich vernedert ten dienste van een andere levensvorm, namelijk die van de staat.

‘Ik denk te hebben opgemerkt uit welke richting de roep om de grootst mogelijke verbreding en verspreiding van onderwijs het duidelijkst klinkt. Deze verbreding behoort tot de geliefde politiek-economische dogma’s van dit moment. Zo veel mogelijk kennis en onderwijs leidt tot zo veel mogelijk productie en vraag, wat leidt tot zo veel mogelijk geluk: zo luidt de formule ongeveer. Het doel en oogmerk van het onderwijs is dan nut, of nog preciezer bezit, het grootst mogelijke geldelijk gewin. Vanuit deze richting wordt vorming grofweg gedefinieerd als het inzicht waarmee je “bij de tijd” blijft, waarmee je alle manieren kent waarop het gemakkelijkst geld te verdienen is, waarmee men alle middelen beheerst die bepalend zijn voor de zaken tussen mensen en volkeren. De eigenlijke taak van het onderwijs zou er dus in bestaan zo “courant” mogelijke mensen te vormen, zoals je ook een munt “courant” noemt. Hoe meer van zulke courante mensen er zijn, hoe gelukkiger een volk is. En precies dat moet de bedoeling zijn van moderne onderwijsinstellingen, om iedereen te bewegen zo “courant” te worden als hij van nature in zich heeft, om iedereen zo te vormen dat hij het grootst mogelijke geluk en profijt heeft van zijn kennis en kunde. Iedereen moet zichzelf nauwkeurig kunnen taxeren; hij moet weten hoeveel hij van het leven kan verwachten. Het “verband tussen intelligentie en bezit” waarvan men bij deze kijk uitgaat, geldt haast als een morele vereiste. Elk onderwijs dat eenzaam maakt, dat doelen stelt voorbij geld en bezit, dat veel tijd vraagt: dat soort onderwijstendensen wordt afgedaan als “hoger egoïsme”, als “immoreel vormingsepicurisme”. Volgens de hier geldende moraal wordt natuurlijk het tegenovergestelde verlangd, namelijk een korte opleiding, om snel een geld verdienend wezen te kunnen worden, maar ook een gedegen opleiding, om een zeer veel geld verdienend wezen te kunnen worden. Culturele vorming wordt alleen toegestaan in de mate dat ze nodig is voor het verwerven van bezit, maar precies die mate wordt dan ook van hem geëist. Kortom: de mens heeft een onvermijdelijke aanspraak op aards geluk, daarvoor is onderwijs nodig – maar dan ook alleen daarvoor!’

[…]

‘Wees nu eens stil!’ onderbrak de filosoof hem met krachtige en meelevende stem. ‘Ik begrijp je nu beter en had je eerder niet zo vermanend moeten toespreken. Je hebt helemaal gelijk, behalve in je moedeloosheid. Ik wil je nu iets troostrijks vertellen.’

Friedrich Nietzsche, Over de toekomst van onze onderwijsinstellingen. Vertaald door Thomas Heij, Leusden: ISVW Uitgevers, 2025.

Winkelwagen
Scroll naar boven