Essay door Alisa Nalivaieva
‘Het maakt niet uit hoe ver je vooruit kunt zien, als je niet begrijpt waar je naar kijkt,’ zei grootmeester Garry Kasparov. Deze wijsheid wordt echter niet meteen zichtbaar. Hoewel trainers je in het begin juist leren om vooruit te denken en de zetten van de tegenstander te berekenen, ontdek je de ware diepgang van schaken pas met ervaring, wanneer je de hele stelling als geheel begint te zien.
Precies zo is het ook in het leven. Terwijl het ons een simultaansessie geeft, beginnen we onze eigen stelling te beseffen – met al haar historische fouten, toekomstige dreigingen en gemiste kansen, wat zowel perspectieven als problemen blootlegt die dreigen de weg naar geluk te blokkeren. Deze paradox bespreek ik in deze column, waarin ik de vraag onderzoek: is ‘het vérdenken’ de sleutel tot een zinvol leven en de hoogste vorm van geluk, of is het een pad naar angst en wanhoop oog in oog met onoplosbare problemen?
Laten we eerst definiëren wat geluk is. Geluk is geen gegarandeerde toestand, maar de mogelijkheid zelf om een volwaardig leven te leiden en je potentieel te realiseren, wat onvermijdelijk ook het risico op ongeluk inhoudt. Het is niet te herleiden tot hedonistisch genot: sterker nog, het hoeft überhaupt geen genot te zijn.
De Griekse filosoof Aristoteles stelde dat de hoogste vorm van geluk, of eudaimonia, wordt bereikt door het berekenen van het einddoel van het menselijk leven: rationele activiteit, waarbij we de hoogste deugden ontwikkelen. Bijgevolg ligt het geluk in een leven in overeenstemming met de rede. Daarbij, zo merkt Aristoteles op, is de ware ontwikkeling van het individu onmogelijk buiten de gemeenschap, aangezien dit actieve deelname aan activiteiten en een bijdrage aan het algemeen belang vereist.
De Russische revolutionair Pjotr Kropotkin vult dit idee aan door te stellen dat de hoogste manifestatie van levensenergie en geluk de intensiteit van het bestaan is. In tegenstelling tot het sociaal-darwinisme, dat de nadruk legt op concurrentie, zag Kropotkin de ‘wet van de wederzijdse hulp’ als de motor van algemene welvaart en de vooruitgang van moraliteit. Hij zag in samenwerking een fundamentele drijvende kracht van de evolutie. Deze samenwerking creëert de sociale omgeving waarin ook de aristotelische redelijkheid kan gedijen. Juist door te werken voor de wereld om ons heen, kunnen we ons volledig geven en evenveel terugkrijgen. Een individu kan zich in isolatie nooit ontplooien; daarom zijn het werk in een collectief en solidariteit, die van binnenuit de gemeenschap ontstaat en niet van bovenaf door staatsmacht wordt opgelegd, de motoren van massale vooruitgang.
Het vérdenken leidt tot geluk omdat het een ethisch fundament voor wederzijdse hulp legt. Het verlegt de focus van persoonlijke zorg naar een mondiale schaal van verantwoordelijkheid voor de hele mensheid. De kern ervan is het inzicht dat het geluk van toekomstige generaties een even grote morele waarde heeft als het onze. Discriminatie op basis van geboortetijd, of ‘temporeel chauvinisme’, is even irrationeel als racisme of seksisme. En aangezien het totale welzijn van toekomstige generaties dat van de nu levenden vele malen overtreft, moet elk ethisch systeem dat streeft naar de maximalisatie van het algehele geluk onvermijdelijk gericht zijn op de welvaart van zowel onze als de toekomstige wereld. Zelfs als men puur uit egoïstische motieven handelt, schenkt het gevoel bij te dragen aan iets groters, te werken aan een groots doel, vaak een diepere voldoening dan enkel voor jezelf te zorgen. Iemand die zijn leven riskeert om een drenkeling te redden, doet dat omdat het voor hem psychologisch onverdraaglijk is om een passieve toeschouwer te zijn. Dit bevestigt dat het streven om goed te doen en samen te werken eigen is aan onze natuur.
Het vérdenken is een in de tijd beproefde praktische wijsheid. De geschiedenis biedt ons talloze voorbeelden van het succes van dit idee. Het meest sprekende is het ethische ‘principe van de zeven generaties’, een cruciaal mandaat in de traditie van de Haudenosaunee (Irokezen Confederatie). Volgens hun mondelinge grondwet namen zij elke beslissing met oog voor de gevolgen ervan voor de nakomelingen die zeven generaties later geboren zouden worden, wat dit volk eeuwenlang ecologische duurzaamheid en sociale stabiliteit bracht.
Maar juist in het unieke karakter van het vérdenken – zijn vermogen om het hele plaatje te zien – schuilt zijn grootste zwakte. Het besef van de existentiële risico’s – van een kernoorlog tot een klimaatcatastrofe of de risico’s van AI – is een last die verlamming en angst kan teweegbrengen. Psycholoog Robert Lifton beschreef in zijn werk The Broken Connection, over de gevolgen van de Koude Oorlog het fenomeen van ‘nuclear numbing’ – een psychische afweerreactie op overweldigende, alomvattende dreigingen. Dan worden zowel Kropotkins ‘volheid van het leven’ als het aristotelische vermogen om de rede te gebruiken verlamd door chronische angst en een gevoel van onmacht.
Dit idee manifesteert zich ook in de moderne cultuur, bijvoorbeeld in het lied ‘Radi detey’ (‘Omwille van de kinderen’) uit 2024 van de dichter Slava Karelin. In zijn lied drijft hij de logica van het vérdenken tot een tragisch absurdum: ‘…loopgraven voor onze kinderen. Ik zal bidden dat ook onze kinderen alles zullen opgeven omwille van de kinderen.’ Een opvatting van het vérdenken als een onvoorwaardelijke opoffering van het heden voor de toekomst vernietigt niet alleen de mogelijkheid van een volwaardig leven, maar kan in zijn meest radicale vormen zelfs theoretisch wandaden rechtvaardigen in naam van de ‘noodzakelijke’ prijs voor een betere toekomst.
Laten wij ook de visie bekijken op het vérdenken van de filosoof Nick Bostrom in zijn studie Astronomical Waste: The Opportunity Cost of Delayed Colonization, waarin hij berekent dat elke seconde uitstel van kolonisatie van de ruimte leidt tot het verlies van potentieel voor meer dan 10¹³ mensenlevens die we rond andere sterren zouden kunnen onderhouden. Deze calculus legt echter de radicaliteit van het vérdenken bloot en haar mutatie, waardoor het ophoudt een humanistisch project te zijn en puur utilitair wordt. De ware prioriteit van het vérdenken is niet een race naar de toekomst, maar een nuchtere en pragmatische focus op overleving, en zelfs in zijn extreme vorm bevat het een kern van wijsheid – de noodzaak om existentiële rampen te voorkomen – en bovenal om een solide fundament voor de toekomst te bouwen, in plaats van een romantisch streven naar een utopie.
Zelfs de miniemste reductie in catastrofe-waarschijnlijkheid is, gezien de ernst van de risico’s, al een strategische overwinning. Het planten van slechts één boom om de staat van het klimaat te verbeteren is al een waardevolle bijdrage die niet alleen de mens, maar de gehele biosfeer van de aarde tien goede zal komen. Hoewel het onvoldoende is om existentiële risico’s te voorkomen. Dit vereist een uitbreiding van solidariteit buiten onze grenzen en een radicale herdefinitie van Kropotkins ‘wederzijdse hulp’ op planetaire schaal. Onze prioriteit ligt bij het creëren van positieve veranderingen: de focus verschuiven van louter risicoreductie naar het maximaliseren van toekomstig potentieel. Gedeelde verantwoordelijkheid is cruciaal, want vele handen maken immers licht werk.
Dus, is het vérdenken de sleutel tot geluk? Misschien is de ware erfenis ervan niet een antwoord, maar een radicale herdefiniëring van de vraag zelf en van de kennis die het ontsluit. Het dwingt ons om geluk niet langer als een persoonlijk project te zien, maar als een collectieve verantwoordelijkheid. De existentiële verlamming, beschreven door Robert Lifton, ontstaat niet uit het besef van de omvang van de wereldproblemen, maar uit het gevoel van onmacht ertegenover. De redding uit de wanhoop is een terugkeer naar de fundamentele principes van Aristoteles en Kropotkin. Ware eudaimonia wordt geboren op het moment dat onze individuele angst wordt omgezet in gedeelde moed; een bron van geluk, waardoor het vérdenken een noodzakelijk levensprincipe wordt – een pad naar welvaart.
Uiteindelijk is het vérdenken zelf noch een redding, noch een vloek. Het is eerder een strategische stellingname die ons in staat stelt het hele schaakbord te overzien, en niet alleen de eerstvolgende zetten.
De vraag is dus niet langer: ‘Hoe kan ik gelukkig zijn in een problematische wereld?’, maar: ‘Hoe bouwen we een wereld waarin alle huidige en toekomstige mensen de mogelijkheid tot geluk hebben?’ Dit vereist van ons niet alleen de rede om dreigingen en kansen in te schatten, maar ook de moed om de last van de verantwoordelijkheid te dragen voor wat er op dit bord zal gebeuren.
