Essay door Jovie de Heus
Het begrip ‘vérdenken’ is zelf een uiting van vérdenken – het is geen bestaand Nederlands begrip volgens de woordenboeken, het is bedacht door onze Denker der Nederlanden, David van Reybrouck. Het is denken voorbij de vastgestelde grenzen van de maatschappij, voorbij de grenzen van de taal. Door een nieuw woord te creëren, wordt er letterlijk voorbij de grenzen gedacht.
Vérdenken wordt door Van Reybrouck beschreven als het denken voorbij geografische, sociale en historische grenzen. Het is in mijn interpretatie niet alleen het denken voorbij grenzen in de buitenwereld, maar ook voorbij de mentale grenzen in onze geest die een groot deel van de mensheid zich heeft opgelegd. Het is niet slechts het kijken vanuit een ander ruimtelijk of historisch perspectief, maar ook vanuit een ander geestelijk oogpunt.
Dit grenzeloos denken komt regelmatig terug in de geschiedenis. Er zijn bepaalde dingen die wij als waarheid hebben aangenomen, zoals het eeuwenlange geloof dat de aarde het middelpunt van het universum was. Dit was vanzelfsprekend, totdat Galileo Galilei het tegendeel aantoonde. Hij keek door zijn telescoop en durfde te beweren dat niet de aarde, maar de zon het middelpunt van het zonnestelsel is. Vérdenken daagt de conventionele waarheid uit; niet alle overtuigingen zijn makkelijk te doorbreken als je vastzit in hetzelfde gedachtepatroon. De meest baanbrekende denkers daagden de standaarddenkwijzen uit. Mensen zoals Galileo en Da Vinci hadden inzichten die de mensheid vooruit hebben geholpen. Zij dachten buiten de lijntjes en deden baanbrekende dingen die vandaag de dag nog relevant zijn. Deze gedachtegang ging ook gepaard met uitvindingen en wetenschappelijke bevindingen. Zij deden aan vérdenken, omdat ze de waarheden in hun geest ter discussie durfden te stellen en verder keken dan hun tijdgenoten.
De gevolgen van grensverleggend denken voor de denkers zelf waren wisselend. Velen waren hun tijd jaren vooruit en werden niet begrepen, wat vaak een geïsoleerd leven tot gevolg had. Galileo Galilei keek voorbij de beperkingen van de tijdsgeest van zijn generatie en het bracht hem slechts huisarrest en isolatie. Ook mensen zoals Nietzsche en Socrates keken verder, maar heeft het hen geluk opgeleverd? Misschien waren de kennis of de gedachten die ze hadden op zichzelf al een bron van geluk. Het besef dat je kennis hebt kan immers erg bevredigend zijn. Wij zijn echter groepsdieren en hebben het begrip, de liefkozing en bovenal de acceptatie van andere mensen nodig. De eenzaamheid die het vérdenken met zich meebrengt, zal in de meeste gevallen niet bijdragen aan geluk.
Toch hoeft vérdenken niet altijd ten koste te gaan van geluk. Misschien stijgt het geluk van vérdenken uit boven het individu en is het eerder van belang dat de inzichten die uit dit vérdenken komen geluk kunnen brengen aan anderen. Deze doorbraak van geestelijke barrières kan waardevol zijn voor toekomstige generaties. Wie weet, misschien worden er op dit moment ideeën geridiculiseerd terwijl we er over een paar decennia enorm veel profijt van hebben.
Aan de andere kant ging de vraag niet noodzakelijkerwijs over de consequenties van vérdenken maar ook over het vérdenken zelf. Maakt de handeling zelf gelukkig? En maakt het gebrek aan vérdenken ongelukkig?
Volgens filosofen zijn er meerdere wegen naar geluk; voor mij springen ‘hedonisme’, ‘utilisme’ en ‘eudaimonia’ eruit. Hedonisme draait om kortstondig plezier en het vermijden van pijn, waar eudaimonia eerder spreekt over diep geluk op de lange termijn. Utilisme is de zoektocht naar de handelingen die het meeste geluk voortbrengen voor de grootste hoeveelheid mensen. Vérdenken beïnvloedt geluk op verschillende manieren. Volgens het hedonisme zou het geen goede weg naar geluk zijn, aangezien het weinig plezier opbrengt voor de denker zelf. Het kan wél intrinsiek plezier bieden, door de voldoening die iemand ervaart bij het bedenken van iets nieuws. Echter, op de korte termijn levert het doorgaans weinig op. Op de lange termijn daarentegen zou vérdenken juist veel geluk op kunnen leveren. Deze zoektocht naar kennis levert de persoon zelf misschien weinig op, maar kan anderen juist iets brengen. Geluk overstijgt in dit geval het individu. Vanuit dit perspectief zouden zowel eudaimonia als utilisme het vérdenken beschouwen als een goede weg naar geluk; volgens utilisten zou vérdenken het welzijn van de meerderheid vergroten, en een eudaimonistische opvatting zou de ontwikkeling van het individu zelf als de weg naar geluk zien. Vérdenken reikt verder dan het heden en de resultaten ervan kunnen velen geluk bieden.
Maar hoe verhoud ik mijzelf tot dit vérdenken? Vanuit mijn eigen perspectief kan ik vrij weinig inbrengen. Ik kan namelijk niet vérdenken. Ik zit in een lastig parket, precies tussen twee uitersten in, waar volgens mij de meeste mensen zich bevinden. Ik heb tot op zekere hoogte een vermogen tot abstract denken, ik kan kennis verwerven en ik kan reflecteren op mijn ervaringen en gedrag – alle eigenschappen die geassocieerd worden met intelligentie.
Tegelijkertijd ben ik mij er pijnlijk van bewust dat er grenzen zitten aan mijn intelligentie. Ik weet dat er dingen zijn die ik zou moeten en wellicht zou kunnen weten, maar deze dingen weet ik niet. Er zijn inzichten die ik zou kunnen hebben en verbanden die ik zou kunnen leggen, grenzen die ik zou kunnen overbruggen, maar dit denkvermogen heb ik niet. Ik heb zelf niet het vermogen om buiten de lijntjes te denken zoals zoveel grote historische figuren die dit wel hebben gekund. Deze beperkingen leg ik mijzelf echter op. Het heeft geen nut om de maatschappij of de constante druk van verwachtingen te beschuldigen, want uiteindelijk ben ik de enige die de gevolgen ervaart. Als ik de barrières zelf afbreek, zou ik in staat moeten zijn om te kunnen vérdenken, meer dan waar ik op dit moment toe in staat ben.
Nu heb ik de begrippen vérdenken en intelligentie naast elkaar gebruikt. Ik geloof namelijk dat vérdenken en intelligentie met elkaar samenhangen: Ze zijn niet gelijk aan elkaar, maar voor het denken voorbij grenzen is vaak een zekere mate van intelligentie nodig. Je hebt het inzicht en de cognitieve vaardigheden nodig om voorbij het heden te denken, voorbij de korte termijn en voorbij je eigen grenzen. Vérdenken is echter meer dan slechts intelligentie. Je hebt er lef en intuïtie voor nodig. Je moet voorbij de grenzen dúrven te denken en ernaar handelen. Dit is niet een eigenschap die alle intelligente mensen noodzakelijkerwijs bezitten en daarom staat vérdenken niet gelijk aan intelligentie.
Mijn intelligentie zorgt ervoor dat ik inzicht heb in het feit dat ik niet kan vérdenken. Het weten is pijnlijk, aangezien mijn tekortkomingen steeds duidelijker worden. Anderzijds betekent dit bewustzijn ook dat ik de potentie heb om verder te denken. Het is een drijfveer om door te gaan, want uiteindelijk streef ik naar vérdenken. Ik zie het als een verdienste, ondanks mijn overtuiging dat het mensen bij leven weinig oplevert. Het biedt een kans op geluk voor andere mensen. Zelfs als het mij niets oplevert, wil ik een waardevolle bijdrage doen aan de mensheid. Daarvoor zou ik doen wat nodig is.
Terwijl ik hierover nadacht, besefte ik dat ik geen concreet antwoord heb op de vraag: maakt vérdenken gelukkig? In eerste instantie maakte ik mij daar erg druk over. Maar misschien hoef ik helemaal geen antwoord te hebben op deze vraag. Is dit namelijk niet precies wat vérdenken is? Proberen de grenzen te verleggen voorbij de vastgestelde gedachtepatronen, waarbij het antwoord niet altijd voor de hand ligt? Ligt er niet een kracht in initiatief nemen en anders te zijn dan de conformistische menigte, ook al word je er niet altijd voor geprezen? Vérdenken kan gepaard gaan met sociale isolatie en ridiculisering, maar het kan ook tot onbetaalbare inzichten leiden. Het is de menselijke natuur om overal een antwoord op te willen hebben, maar ik geloof dat dit niet altijd wenselijk is. Sommige dingen mogen en zullen een mysterie blijven. Zo zullen we altijd iets hebben om over na te denken.
Ik heb dus geen definitief antwoord op de vraag of vérdenken gelukkig maakt, wat het belang van het proces zelf benadrukt. Ik kan wél met zekerheid zeggen dat vérdenken onmisbaar is voor de ontwikkeling van de mensheid. Wellicht ligt de waarde van vérdenken niet in de conclusie, maar in het durven denken voorbij de grenzen zelf. Als conclusie heb ik dus een voornemen: Ik kies ervoor om me van mijn zelfopgelegde beperkingen te ontdoen en eindelijk buiten de kaders te denken. Hopelijk kan ik dan eindelijk vérdenken. Pas dan kan ik een antwoord geven op de vraag: maakt vérdenken gelukkig?
