Essay door Juliana Gusmán
Ik denk vaak te veel na. Over mijn gezondheid, het lot van mijn ouders, wat ik volgend jaar ga studeren. Ik ga me dan snel angstig voelen, omdat ik niet weet wat me allemaal te wachten staat. Het kost veel tijd en energie, en soms lijkt het makkelijker om er maar niet over na te denken. Toch zou ik dit niet willen missen, omdat het de vraag oproept die mij steeds opnieuw bezighoudt: zorgt vérdenken voor geluk, of berooft het ons daar juist van?
Volgens de denker der Nederlanden, David van Reybrouck, is vérdenken overwegen vanuit het heden, verleden, de verre toekomst en voorbij grenzen van sociale bubbels. Als je buiten jezelf probeert te denken, besef je al snel dat je verweven bent met een groter geheel. Je handelingen hebben invloed op andere mensen en je omgeving. Voor sommigen kan deze verantwoordelijkheid al snel als een zware last voelen. Wat zou de gemiddelde persoon bijvoorbeeld aan de klimaatcrisis of de politieke en economische staat van de wereld kunnen doen? Mensen worden bang, omdat ze niet weten hoe ze met die betekenis moeten handelen. Toch is juist die confrontatie met verantwoordelijkheid wat het leven de moeite waard maakt. In het ongemak van het vérdenken schuilt de mogelijkheid tot verandering, en tot echt geluk. Zorgen zijn de prijs van groei en misschien ook de bron ervan.
Vérdenken vraagt dus om meer dan alleen nadenken. Het vraagt om inzicht en wijsheid. Veel mensen ervaren geluk echter niet als een staat van wijsheid, maar eerder als iets doelmatigs. We leren op school om later werk te vinden, we werken om geld te verdienen, en we verdienen geld om comfortabel te kunnen leven. Geluk verschijnt dan als een beloning, iets wat we ontvangen na inspanning. Maar zo’n vorm van geluk is altijd voorwaardelijk. Het bestaat bij de gratie van iets buiten onszelf.
Dit betekent ook dat de voldoening van een doel vervaagt zodra het bereikt is. Ik ben er inmiddels achter gekomen dat elk gevoel van blijdschap of tevredenheid die ik tijdens mijn leven had, voorbij is gegaan. Wat ik eerst voor geluk aanzag, bleek vaak tijdelijk en oppervlakkig. Wie één wedstrijd wint, voelt zich gelukkig, maar wie elke dag zou winnen, zal er geen betekenis meer aan ontlenen. De mens is blijkbaar zo ingesteld dat hij zich voortdurend aanpast aan zijn situatie, zelfs aan voorspoed. Geluk, wat afhankelijk is van omstandigheden, is per definitie tijdelijk, en daarmee ontglipt ons steeds opnieuw een blijvend gevoel van voldoening.
De Duitse filosoof Arthur Schopenhauer verwoordde dit scherp: ‘Het is moeilijk om geluk in jezelf te vinden, maar het is onmogelijk om het ergens anders te vinden,’ schreef hij. Deze constatering biedt een pijnlijke doch heldere les over het menselijk bestaan. Doelmatig geluk is vergankelijk en vaak slechts een korte verlichting van lijden of verlangen. Zelfs de dingen die het meest waardevol lijken, verliezen hun glans zodra we ze als vanzelfsprekend ervaren. Het is zeldzaam dat iemand elke dag opstaat met hetzelfde gevoel van dankbaarheid voor zijn baan of relatie. Wat ooit een droom was, wordt routine. En dat terwijl het op elk moment mis zou kunnen gaan! Je denkt dat je houvast hebt, maar het bedrijf waarvoor je werkt kan failliet gaan, je kan een dierbare verliezen of ook zelf omkomen. Het is jammer hoe zelden we bewust stilstaan bij de waarde van wat we al hebben.
Het werkelijke geluk dat we zoeken, besef ik, gaat niet om momenten van plezier of succes, of om iets dat we kunnen bereiken, maar we kunnen het eerder begrijpen als een manier van zijn. Een toestand waarin we een diepe, innerlijke zekerheid hebben dat we, ongeacht wat er gebeurt, overal mee kunnen leven. Dit vertrouwen ontstaat juist door vérdenken, waar angst plaatsmaakt voor aanvaarding.
Twee opvattingen die mij altijd hebben gefascineerd benadrukken dit idee sterk: dat van het stoïcisme en het boeddhisme. Hoewel deze twee tradities uit totaal verschillende werelden komen, leiden ze tot een soortgelijke conclusie: wijsheid is de sleutel tot geluk. Volgens de stoïcijnen leidt wijsheid tot apatheia, een onverstoorbare gemoedstoestand. Bij het boeddhisme leidt wijsheid tot dieper begrip van de vergankelijkheid van de werkelijkheid en onderlinge verbondenheid van alles. Beide schetsen een ideaal van innerlijke rust, waarin men zich niet laat meesleuren door emoties.
Dat klinkt prachtig, en in zekere mate geloof ik er wel in, maar ik wil nuanceren wat dit betekent voor ons geluk. Want hoewel rust en wijsheid verlossend kunnen zijn, blijken ze in de praktijk zeldzaam, en misschien zelfs onhaalbaar voor de meeste mensen. De beroemde stoïcijn Seneca erkende bijvoorbeeld dat een ‘perfecte wijze’, een sapiens, net zo zeldzaam was als de feniks. En het boeddhisme gelooft in het idee van reïncarnatie. Dit houdt in dat we na onze dood opnieuw geboren worden, en er dus meerdere levens over doen om de weg naar verlichting te vinden.
Bovendien is het belangrijk te erkennen dat vérdenken niet voor iedereen even toegankelijk is. Het vraagt tijd, energie en mentale ruimte om voortdurend de diepere betekenis van je handelingen in de wereld te overwegen. In de tijd van Plato en Aristoteles maakten veel filosofen deel uit van de elite. Ze hadden de luxe van vrije tijd en middelen om zich aan reflectie te wijden, iets wat voor de meeste mensen in hun tijd, en eigenlijk ook nu, onmogelijk was. Hoewel ik geloof dat filosofie zelf en het streven naar wijsheid voor iedereen openstaan, is de specifieke vorm van geluk die ontstaat uit vérdenken duidelijk veeleisend. Het vergt een mate van beschikbaarheid en vermogen die lang niet iedereen zich kan veroorloven. Het gevolg is dat mensen hun leven lang iets proberen te bereiken wat haast onmogelijk is, en daar teleurgesteld en gefrustreerd van raken. Vérdenken leidt in dat geval tot onrust.
Je kunt je misschien niet volledig ontkoppelen van je emoties, maar toch denk ik dat mensen die de gevoeligheid en intelligentie hebben om zorgvuldig te vérdenken daar baat bij hebben. Zonder vérdenken voelt geluk eerder oppervlakkig, er mist een dieper begrip van de werkelijkheid. Als je de capaciteiten voor vérdenken niet hebt, dan maakt dat niet uit omdat je het misschien ook niet doorhebt.
Dit betekent niet dat mensen die geluk ervaren door middel van vérdenken superieur zijn aan mensen die dat niet kunnen of willen. Ik ben het oneens met filosofen als Aristoteles of Seneca, die meenden dat mensen die niet het pad van wijsheid probeerden te vinden malum, slecht waren. Het is immers niet voor iedereen mogelijk en uiteindelijk betekent geluk voor elke persoon iets anders. Ik geloof echter wel dat elk weldenkend persoon zonder vérdenken een gevoel van betekenis in de wereld mist.
Zowel stoïcisme als boeddhisme benadrukken dat wijsheid leidt tot innerlijke rust. Schopenhauer, zelf ook beïnvloed door boeddhistische inzichten, vult dit aan door te wijzen op de onvermijdelijkheid van lijden. Echt geluk ontstaat volgens hem niet uit het najagen van doelen, maar uit het accepteren van pijn en onzekerheid. Net als bij het vérdenken ligt de kern van rust in een realistisch besef van het leven en de veranderlijkheid van alles om ons heen. Vanuit dit perspectief kan men een innerlijke zekerheid ontwikkelen, die onafhankelijk is van wat het leven aan plezier of tegenslag biedt.
Voor mij persoonlijk betekent dit dat ik mijn overdenken probeer om te buigen naar vérdenken. Waar overdenken me vaak angstig of gespannen maakt, stelt vérdenken me in staat afstand te nemen, mijn problemen in perspectief te plaatsen en te erkennen wat ik niet kan beïnvloeden. Zo ontstaat ruimte voor rust, ook te midden van onzekerheid en mogelijk leed.
Er valt te concluderen dat vérdenken in essentie bijdraagt aan ons geluk. Mensen zijn op zoek naar zekerheid, en hoewel vérdenken in eerste instantie voelt als een zware last met verantwoordelijkheid die je misschien afschrikt, vergaar je aan de andere kant een groter begrip van de werkelijkheid en geeft die verantwoordelijkheid je juist betekenis. Vérdenken geeft inzicht op je situatie en je omstandigheden, en als je vrede kunt sluiten met je vérdenkingen, met alles wat er zou kunnen gebeuren, goed of slecht, dan kom je juist uit op zekerheid, en op langetermijngeluk. Geluk blijkt niet iets wat we vinden, maar iets dat ontstaat, langzaam in het licht van inzicht. Wie alles voelt en alles ziet, vindt vrede waar de geest van geniet.
