Heeft werk nog toekomst?

Door technologische ontwikkelingen zal bijna iedere baan er op korte termijn anders uitzien. Volgens professor politieke filosofie Lisa Herzog kan filosofisch denken hier een belangrijke rol spelen. In De toekomst van werk zet zij uiteen waar de kansen liggen om werken in de toekomst democratischer te organiseren.

Door Quintus Masius

Wat heeft geleid tot dit boek?

Het boek is deels gebaseerd op het academische werk dat ik daarvoor heb gedaan. Ik begon rond 2008 na te denken over de rol van grote organisaties binnen onze maatschappij. Ik ben gaan onderzoeken hoe moreel actorschap zich binnen deze grote organisaties voltrekt. Hoe, kort gezegd, moreel handelen verschilt tussen werk en iemands privéleven. Ik interviewde hiervoor veel betrokkenen en de uitdaging hierbij was om deze praktijkervaringen om te zetten in mijn academisch werk. Het nadenken over deze vragen heeft mede tot het thema ‘democratie op de werkvloer’ geleid. Toen ik het onderzoek had afgerond wilde ik, mede door de opkomst van kunstmatige intelligentie, een boek schrijven over de toekomst van werk. Hiermee wilde ik zowel mijn eerdere academisch onderzoek als nieuwe ideeën presenteren aan een breder niet-gespecialiseerd publiek. Dit alles heeft geleid tot De toekomst van werk. Toen ik begon met schrijven was het thema minder prominent binnen de filosofie. Maar mede door technische ontwikkelingen, de coronacrisis en de grotere machtsconcentratie van techbedrijven wordt filosoferen over werk steeds belangrijker.

Wat zou de rol van een filosoof kunnen zijn bij het nadenken over de toekomst van arbeid?

Filosofen denken na over waarden en mogelijke morele utopieën. Ze stellen vragen over welke waarden belangrijk zijn. Zijn dat vooral efficiëntie, economische groei – of juist andere zaken, zoals rechtvaardigheid of respect? Daarbij gebruikt de filosofie historische inzichten om uitdagingen van vandaag beter te begrijpen. De ideeën van deze denkers zijn – zij het in nieuwe gedaantes – vaak nog relevant in hedendaagse discussies. Neem bijvoorbeeld de inzichten van Hannah Arendt (1906–1975) en Aristoteles (384 v. Chr.–322 v. Chr.): die kunnen toegepast worden op discussies rondom kunstmatige intelligentie. Arendts ideeën over nataliteit – het geboren worden als een begin en de mogelijkheid om hiermee iets nieuws te beginnen – zijn relevant voor de vraag of kunstmatige intelligentie iets nieuws kan creëren of dat deze mogelijkheid intrinsiek gekoppeld is aan ons mens-zijn. Ik heb hier ook een artikel over geschreven. Aristoteles’ onderscheid tussen praxis en poesis is relevant als het gaat om de vraag welke activiteiten een intrinsieke waarde hebben en welke activiteiten uitkomst-georiënteerd zijn. Gaat het, bijvoorbeeld, bij het schrijven van gedichten enkel om het eindproduct (iets wat kunstmatige intelligentie ook kan doen), of ook om het proces waarin de dichter diens eigen emoties en ervaringen doorleeft? Binnen mijn werk als filosofieprofessor speelt deze vraag ook. Zo wordt kunstmatige intelligentie ingezet om ruwe inzichten te verwerken tot leesbare papers. De vraag is echter of het bij filosofie enkel draait om deze inzichten (het eindproduct) of dat het ook moet gaan om het proces om deze inzichten zelf duidelijk te kunnen verwoorden.

In het boek ontwaar ik een belangrijke taak van de overheid…

Ik denk dat het erg belangrijk is dat bepaalde regels door de overheid worden vastgesteld, omdat arbeidsontwikkelingen ook in de toekomst zullen plaatsvinden in een competitieve markt. Als we deze ontwikkelingen dan alleen overlaten aan particuliere bedrijven, zal dit leiden tot een race to the bottom, waarbij standaarden door één bedrijf worden verlaagd en andere bedrijven volgen. Ik geloof daarom ook niet dat een laisser-faire-benadering de beste oplossing is. Ook zal het rust, stabiliteit en draagvlak voor veranderingen ondermijnen. Hierom is het belangrijk om duidelijke wettelijke kaders te hebben. Kaders die bovendien gewaarborgd worden door rechters. We zien nu dat de Europese Unie hierin een cruciale rol probeert te spelen met de recente wetgeving rondom kunstmatige intelligentie en privacy.

Maar is dat dan het enige?

Nee. Wetgeving is belangrijk maar niet voldoende. Er moet ook geëxperimenteerd worden met niet-hiërarchisch participatieve arbeid en zelfs vormen van verzet moeten we serieus nemen. Op dit moment hebben we te maken met een sterk geconcentreerde markt van nieuwe technologieën en de enorme macht van deze bedrijven. Ik vertrouw er niet op dat deze bedrijven altijd handelen in het belang van de maatschappij. Daarom is de ontwikkeling van tegenmacht noodzakelijk. Bedrijven zelf kunnen hier trouwens ook aan bijdragen. Organisaties kunnen, bijvoorbeeld, afdelingen de ruimte geven en onderzoeken welke vormen van niet-hiërarchische en participatieve arbeid nu echt werkt. Daarbij is het belangrijk dat arbeiders zich blijven organiseren. Over het algemeen is de machtsrelatie tussen werkgever en werknemer ongelijk. Enkel door samen op te trekken kan dit enigszins rechtgetrokken worden. Ik ben een groot voorstander van experimenten, bottom-upbenaderingen en solidariteit, maar uiteindelijk moet dit wél leiden tot wettelijke kaders die gewaarborgd worden.

Mensen met een marxistische achtergrond stellen vaak dat niet-hiërarchische participatieve arbeid enkel kan voorkomen binnen coöperaties waarin werknemers eigenaar worden van de productiemiddelen.

Eigendom van productiemiddelen is een bron van macht, maar niet de enige. We moeten kijken hoe alle aspecten van macht eerlijk verdeeld worden onder werknemers, en hoe we dat in de praktijk kunnen bereiken. In sommige gevallen kan dat door coöperaties waar het eigendom van de productiemiddelen bij de werknemers ligt, maar dat is niet de enige manier. Ook bij andere bedrijfsstructuren kan deze macht eerlijk verdeeld worden en meer democratie op de werkvloer geïntroduceerd worden. Dit maakt het werk niet alleen zinvoller, maar zal mensen ook inzicht geven wat het in bredere zin betekent om democratisch, samen, beslissingen te nemen.

Wat is de rol dan nog van managers?

Vaak wordt de manager gezien als boosdoener. Maar er is zeker een rol voor mensen die anderen ondersteunen in hun werk door conflicten te regelen, problemen op te lossen en te coördineren met andere afdelingen. Dit is het verschil tussen mij en anarchisten zoals David Graeber (auteur van onder andere van het boek Bullshit jobs), die denken dat alles vanzelf geregeld kan worden zonder managers of logistieke ondersteuning. Ik denk daarentegen dat we echt wel mensen nodig hebben voor coördinatiewerk. Maar dit kan ook op een niet-hiërarchische en democratische manier worden georganiseerd. Teams zouden, bijvoorbeeld, deze coördinatoren kunnen kiezen voor een bepaalde termijn.

Is er eigenlijk wel een toekomst voor werk, gezien de toename van robots, generatieve AI en slimmere chips?

Er is een discussie in de filosofie over het ‘einde van werk’. Eén perspectief hierin is dat er in de toekomst geen werk meer zal zijn. Ik geloof dat niet. Feministische perspectieven hebben ons laten zien dat veel noodzakelijke arbeid verborgen en onbetaald is. Als voorbeeld wordt dan vaak zorg aangehaald. Of het nu om kinderen, zieken, ouderen of gewoon iemands partner gaat, mensen zorgen voor elkaar en dat kan volgens dit perspectief gewoon als werk gezien worden. Voor degenen die dit werk doen, is het niet alleen een kwestie van passie of zelfvervulling, maar soms ook een noodzaak die voortkomt uit de menselijke gesteldheid van de ander. We hebben allen behoefte aan een prettige omgeving, voedsel, toiletbezoek et cetera, en soms lukt dat niet zonder hulp. Degene die je hierbij helpt is dan eigenlijk aan het werk. Al deze vormen van arbeid zullen nooit allemaal door kunstmatige intelligentie worden overgenomen. En hierdoor zal er altijd de vraag ontstaan hoe zulk werk op een rechtvaardige manier georganiseerd kan worden.

Wat zijn de huidige projecten waar u aan werkt?

Ik heb net een boek afgerond over het democratiseren van de hele economie, dus niet alleen de werkvloer. Dit boek, The Democratic Marketplace: How a More Equal Economy Can Save Our Political Ideals, onderzoekt vragen zoals wat het betekent om democratische waarden te volgen in de markt, of we nog economische groei nodig hebben en welke soort politiek we willen met betrekking tot arbeidstijd. Daarnaast doe ik onderzoek naar nieuwe vormen van werk en wat dit betekent voor de status en zelfperceptie van mensen als burgers. Bijvoorbeeld: wat betekent het voor iemand om volledig op afstand te werken? Ik ben ook bezig met onderzoek naar onbetaalde zorgarbeid binnen families en hoe we hier in een democratische maatschappij op een eerlijke manier mee om kunnen gaan.

Lisa Herzog, De toekomst van werk: van hiërarchie naar democratie. Vertaald door Peter Huijzer. Leusden: ISVW Uitgevers,2024

Dit artikel is verschenen in iFilosofie #81. Klik hier voor de volledige editie.

Winkelwagen
Scroll naar boven