Een hartstochtelijk pleidooi voor grilligheid | Recensie Fleur Jongepier

Al een tijdje verheugde ik mij op Berghonger van Fleur Jongepier. Ik had vernomen van haar vertrek uit de academische filosofie. Omdat ik zelf ook ooit met enige desillusie een academische carrière de rug heb toegekeerd en weet dat zo’n besluit een ingrijpende omslag kan betekenen, was ik benieuwd naar welke weg Jongepier zou inslaan. Ik had hoge verwachtingen.

Door: Marthe Kerkwijk

Mijn hoge verwachtingen hadden te maken met Jongepiers filosofische werk voor een breed publiek: de havo-examenbundel Ik. Filosofie van het zelf (Boom, 2017), geschreven samen met Sem de Maagt en Leon de Bruin, en de essays, recensies en columns voor onder meer Filosofie Magazine, Trouw, Volkskrant, NRC en Bij Nader Inzien. Omdat dat werk me beviel, ben ik haar gaan volgen op Instagram, en daar deelt ze haar prachtige foto’s en aquarellen van de Dolomieten, waar ze delen van het jaar woont. Nou, dan ben ik om hoor. Hier dat boek!

Berghonger is geen traditioneel filosofieboek, waarin de auteur in de inleiding een stelling poneert en die in de rest van het boek systematisch onderbouwt door argumenten aan te dragen en bezwaren te weerleggen. Dat zou ook niet kunnen, want al vrij snel in het boek vertelt Jongepier dat ze eigenlijk niet meer gelooft in het door-en-door rationele, lichaamloze gefilosofeer over kwesties van logica en semantiek, losgezongen van elke doorleefde werkelijkheid, zoals dat in westerse academies gebruikelijk is. In verschillende bewoordingen vraagt ze de lezer terug te denken aan de keren dat die echt van mening is veranderd over iets. Was dat naar aanleiding van het lezen van een rationeel betoog? Of was dat vooral door een gevoel, door een veranderende ervaring of door een ontmoeting met iemand die een ander perspectief belichaamde? Als je je een standpunt echt eigen wilt maken, dan is daar meer voor nodig dan dat standpunt rationeel beamen.

Bergzelf en zeeniveauzelf

Jongepier deed dit inzicht op in de bergen. En dat is niet verwonderlijk, aangezien ze onderscheid maakt tussen haar bergzelf van haar zelf op zeeniveau. Het zeeniveauzelf woont in de stad en doet mee met de maatschappij zoals je dat van een verantwoordelijk burger mag verwachten. Ze neemt verstandige beslissingen na zorgvuldige afweging van voors en tegens, zorgt dat ze haar rekeningen kan betalen, onderhoudt haar relaties en haar netwerk, enzovoort. Haar zeeniveauzelf worstelt ook wel eens met existentiële vragen, zoals ‘wat wil ik nou echt?’, en probeert dan redelijke argumenten zorgvuldig tegen elkaar af te wegen. Maar Jongepier kwam er op die manier niet uit. Ze liep vast, en ging de bergen in.

Daar verandert ze in haar bergzelf, en die pakt zaken heel anders aan. Haar bergzelf denkt eigenlijk niet echt aan haar carrière of andere beslommeringen, tenminste niet met het hoofd. Het bergzelf denkt aan een uitzicht, of waar je je volgende voetstap moet plaatsen om niet uit te glijden, aan vermoeidheid, valangst en honger, of hoe lang het nog is naar de volgende berghut. Maar toch, ontdekte Jongepier, blijkt het lichaam in de bergen wel degelijk te denken. Wanneer de geest stopt met voors en tegens tegen elkaar afstrepen, voelt het lichaam waar het naartoe moet. Niet alleen in praktische zin – hoe kom ik naar de bergtop? – maar ook in existentiële zin – waar moet het naartoe met mijn leven?

Na een tijdje in de bergen te hebben vertoefd merkt Jongepier dat ze een stuk verder is gekomen met de worsteling met haar existentiële vragen, zonder dat ze daar nu veel over heeft nagedacht. Bewijs hiervoor is moeilijk aan te dragen, maar hoe herkenbaar! Wie heeft niet de ervaring dat je, juist door een tijdje niet aan je problemen te denken, maar iets lichamelijks te gaan doen (al is het maar badmintonnen op de camping, een flinke wandeling of een avondje dansen), ineens veel helderder tegen de zaken aankijkt?

Voor Jongepier betekende dit het inzicht dat wat haar ooit had aangetrokken tot filosofie niet in de academie te vinden is. De zoektocht naar betekenis is geen zoektocht naar sluitende argumenten, geen zoektocht die je op een kantoortje of in een bibliotheek kunt ondernemen. Je zult eropuit moeten, als je die zoektocht serieus wilt nemen.

Gletsjerverdriet en een beetje meer romantiek

Er zit dus een stevige kritiek op de filosofie in Berghonger, vergelijkbaar met die van antifilosofen als Nietzsche, Marx en Zhuangzi. Toch is het wel degelijk een filosofisch boek, en zijn er genoeg stellingen en argumenten te waarderen. Die gaan over allerlei thema’s. De bergen verschaffen Jongepier toegang tot verschillende ethische onderwerpen: waarom is de bergsport vooral toegankelijk voor witte mannen? Hoe kunnen we het verdriet duiden dat je voelt als je een gletsjer ziet instorten door klimaatopwarming? Hoe kunnen we ons tot andere dieren verhouden?

Twee thema’s zijn echter sterker uitgewerkt dan alle andere. Ten eerste het pleidooi voor meer ruimte voor het bergzelf in ieders leven. Dit mag de lezer overdrachtelijk opvatten. Je hoeft niet per se de bergen in – als je meer een zeemens of bosmens bent is dat ook prima – maar het punt is dat Jongepier appelleert aan een kant van ons zelf die te vaak gesmoord wordt door redelijkheid en vooral door de druk om productief te zijn. Deze kant van ons wil kinderlijk enthousiast zijn over iets, ergens helemaal in opgaan, onnodige risico’s nemen gewoon omdat het kan, nutteloze dingen doen gewoon voor het plezier, en onverstandige besluiten nemen en ontberingen doorstaan.

Ja, dat klinkt allemaal wel heel romantisch, maar een beetje meer romantiek mag ook wel, vindt Jongepier. Bovendien pleit ze er niet voor de samenleving de rug toe te keren en je als een verbitterde romanticus voor altijd terug te trekken in de natuur. Integendeel, om je in de samenleving staande te houden, moet je juist ademruimte hebben, speelruimte, onproductieve tijd voor plezier en nutteloosheid. Jongepier staat hartstochtelijk voor de bescherming daarvan, want het staat onder druk.

Bergvriendschap

Ten tweede staat ze stil bij de vraag hoe ik mij tot de berg – of tot de natuur in het algemeen – kan verhouden. Aan de ene kant zijn er auteurs die het bergbeklimmen zien als een bewijs van de superioriteit van de mens: kijk eens hoe de mens de natuur overwint en de top bereikt! Aan de andere kant zijn er ook auteurs die zeggen samen te vallen met de natuur: ‘de berg ben ik’. Mensen moeten van hun superioriteitswaan af, want dat heeft overduidelijk tot problemen geleid.

Daar kun je tegen inbrengen dat het ontkennen van elk onderscheid tussen mens en natuur leidt tot de depolitisering van het klimaatprobleem. We zullen namelijk als mens verantwoordelijkheid moeten nemen en ons eigen gedrag moeten veranderen. Denken één te zijn met de berg – of met de natuur – leidt niet tot handelen. Jongepiers eigen voorstel is origineel: we moeten onszelf beschouwen als mensen die vriendschappen kunnen aanknopen met bergen, dieren, rivieren en andere natuurlijke entiteiten. Ware vriendschappen, niet slechts metaforische vriendschappen. We moeten loslaten dat er gelijkheid of gelijkwaardigheid nodig is voor vriendschap, je vriend welwillend zijn en in diens gezelschap willen verkeren is genoeg.

Een echt mens

Omdat Jongepier via de bergen veel verschillende thema’s aansnijdt, ontbreekt bij sommige van die thema’s de diepgang. Zo is Jongepier enthousiast over bepaalde oosterse denktradities, met name het daoïsme en zenboeddhisme, maar lijkt ze de gevriesdroogde krenten die ze nodig heeft voor haar eigen pleidooi uit de instantpap te vissen zonder recht te doen aan de context. Toch werkt het wel, al was het maar om te illustreren dat van een afstand de natuur beschouwen als iets om te beheersen een heel historisch specifieke manier van kijken is, en dus anders kan.

Dat sommige gedachten van Jongepier niet helemaal zijn uitgewerkt, vergeef ik haar bovendien makkelijk omdat haar essayistische stijl gewoon heel lekker leest. Ze neemt je mee de bergen in, en leidt je langs haar eigen gedachten, waarvan ze zelf dondersgoed weet dat die elkaar soms tegenspreken. Het is als een bergtocht maken met een echt mens: soms is er iets rommelig of onaf, maar de ervaring is prikkelend en betekenisvol.

Bovenal is Berghonger het ideale boek om, ondanks het gewicht van 408 gram, mee te nemen in je rugzak, de bergen in.

Fleur Jongepier, Berghonger. Vragen naar de onbekende weg. Amsterdam: De Bezige Bij, 2025.

Dit artikel is verschenen in iFilosofie #84. Klik hier voor de volledige editie.

Winkelwagen
Scroll naar boven