Boodschapper te midden van een rusteloze wereld

Op 22 mei 2025 verscheen de eerste Nederlandstalige biografie van de vermeende ‘gevaarlijkste man ter wereld’. Henri Bergson (1859-1941) was een Franse filosoof die binnen de academische filosofie, en ook daarbuiten, ongekende populariteit genoot.

Door Samira van de Meulengraaf

Deze biografie is geschreven door schrijfster en journaliste Emily Herring. Ze studeerde filosofie aan de Sorbonne in Parijs en promoveerde in wetenschapsfilosofie en -geschiedenis aan de universiteit van Leeds. Dit is het eerste boek dat onder haar naam is verschenen.

Een debuutbiografie schrijven over een denker die zo melodieus kon spreken over de ervaring van tijd is een uitdagende opgave, zo erkent Herring. Niet alleen omdat een biografie per definitie tijd in chronologische compartimenten opdeelt – een aanpak die volgens Bergson de werkelijke tijdsstroom van het leven geweld aandoet. Maar ook omdat hij zijn persoonlijke leven streng gescheiden hield van zijn werk. Hij gaf zelfs expliciet de opdracht zijn ongepubliceerde werk na zijn dood te vernietigen.

Had Herring deze opvattingen en wensen van Bergson moeten respecteren? Of heeft de Britse schrijfster terecht gekozen toch een biografie te schrijven over een van de meest invloedrijke filosofen van de moderne tijd?

Het leven van Bergson

Henri Bergson werd in 1859 geboren op een herfstige avond in Parijs. Zijn jeugd was onrustig en instabiel, met vele verhuizingen en een schooltijd die hij grotendeels doorbracht in Joodse internaten, gescheiden van zijn familie. Al vroeg leerde hij dat bestendigheid een illusie is en verandering de kern van de werkelijkheid vormt. Op het Lycée Fontanes blonk de jonge Henri uit. Op zeventienjarige leeftijd wist hij het meetkundige vraagstuk uit de briefwisseling tussen Blaise Pascal en Pierre de Fermat op te lossen. Tot grote teleurstelling van zijn wiskundeleraar koos Bergson er echter voor om filosofie te gaan studeren.

Eerst was het Bergsons ambitie een ‘wetenschappelijk filosoof’ te worden, passend bij het rationele en mechanistische wereldbeeld van zijn tijd. Maar in de jaren na zijn afstuderen sloeg hij een andere weg in. Hij wilde de ziel terugbrengen in de kille, zinloze wereld. Deze verschuiving veroorzaakte een bergsoniaanse revolutie die zich over heel Europa verspreidde. Aan het begin van de twintigste eeuw was Bergson een symbool van hoop geworden, en de beroemdste filosoof van zijn tijd.

Die roem ervoer hij zelf vooral als hinderlijk. Hij leed aan slapeloosheid en worstelde met de vele sociale verplichtingen. In haar boek laat Herring overtuigend zien welke tegenstrijdige karaktertrekken Bergson kenmerkten. Een stille, bescheiden man die desondanks erkenning zocht in zijn carrière. Een ambitieus, sociaal en propagandistisch figuur tegenover een teruggetrokken en bedachtzame denker. Bergson zelf omschreef dit innerlijk conflict als het spanningsveld tussen zijn ‘oppervlakkige ik’ en zijn ‘diepere ik’. Welke ‘ik’ ook de overhand had, zijn lezingen aan het Collège de France trokken zoveel toehoorders dat de menigte zich tot op de straten rondom het gebouw verspreidde en bij de open ramen meeluisterde.

In 1927 ontving Bergson de Nobelprijs voor Literatuur. Zijn ideeën inspireerden schrijvers, kunstenaars en zelfs politici. Zo gebruikte hij zijn ideeën in zijn nationalistische toespraken tijdens de Eerste Wereldoorlog en ging hij op audiëntie bij de Amerikaanse president Woodrow Wilson.

Bergson overleed in 1941 op 81-jarige leeftijd aan een longontsteking, vermoedelijk omdat hij uren in de kou had gestaan om zich als Jood te laten registreren. Tegen het einde van zijn leven verloor hij grip op zijn eigen invloed: zijn ideeën kregen een eigen leven en raakten, aldus Herring, ‘uit de mode’.

De menselijke ervaring

Hoewel Herring zelf stelt dat haar boek geen inleiding tot Bergsons filosofie is, heb ik het tijdens het lezen wel precies zo ervaren. Ze legt zijn kernbegrippen helder en toegankelijk uit, waardoor het boek een aangename kennismaking biedt met een invloedrijke denker die grotendeels uit de publieke aandacht is verdwenen.

In Tijd en vrije wil (1889) introduceert Bergson het concept duur (durée). In plaatst van tijd te definiëren als een reeks meetbare eenheden die men in de ruimte kan plaatsen, beschouwt Bergson tijd als een kwalitatieve ervaring: een ondeelbare continuïteit die ons innerlijke leven kenmerkt. De tijd met een geliefde vliegt voorbij, terwijl de tijd in een wachtruimte soms eindeloos lijkt te duren. Dit verschil is geen illusie, maar zegt iets wezenlijks over hoe mensen de werkelijkheid beleven. En dat betekent voor Bergson dat de mens inherent vrij is.

Bergson plaatst tegenover rationele, analytische kennis de intuïtie: niet als een vaag voorgevoel, maar als een legitieme filosofische methode die recht doet aan verandering en beweging. Dit botste met het positivisme van zijn tijd, dat de werkelijkheid wilde reduceren tot meetbare feiten. Juist daardoor waren zijn colleges en boeken zo’n culturele gebeurtenissen, vertelt Herring. Bergson bood een alternatief dat de menselijke ervaring centraal stelde.

In Materie en geheugen (1896) onderzoekt Bergson het onbewuste geheugen en maakt hij onderscheid tussen gewoontegeheugen – nodig voor praktische handelingen – en dieperliggende herinneringen die plotseling naar boven kunnen komen. Zijn bekendste werk, De creatieve evolutie (1907), introduceert de levensdrift (élan vital): een creatieve kracht die de evolutie voortstuwt op een dynamische en scheppende wijze.

Bergson werd niet de “gevaarlijkste man van de wereld” genoemd omdat hij met zijn komst naar Columbia University in 1913 de allereerste file op Broadway veroorzaakte. De redenen lagen elders: volgens critici propageerde hij met zijn nadruk op het innerlijke gevoelsleven een zogenoemde ‘vrouwelijke filosofie’, ondermijnde hij daarmee het cartesiaanse ideaal van rationaliteit en dwong hij met zijn modernistische, weinig traditionele weergave van God christelijke instituties in de verdediging. Hij werd zelfs afgeschilderd als de leider van ‘Joods Frankrijk’. Wat wellicht niet algemeen bekend is, is dat zijn bovengenoemde belangrijkste werken op de Index Librorum Prohibitorum van het Vaticaan stonden.

Drie portretten

Herring laat overtuigend zien dat Bergson veel meer was dan een modeverschijnsel. Hij beïnvloedde zijn tijd diepgaand en zijn inzichten blijven verrassend relevant, zeker nu technologieën als AI, gentechnologie, BCI’s en robotisering steeds meer terrein winnen. Zijn boodschap – dat technologie doordrongen moet zijn van menselijkheid – klinkt actueler dan ooit.

De biografie bestaat uit drie verweven portretten: van de man Bergson, van zijn filosofie en van de wereld waarin deze tot stand kwam. Deze drie portretten brengt Herring overtuigend samen door voortdurend te schakelen tussen de historische context, bijpassende karaktertrekken van Bergson en de bronnen van zijn inspiratie. Zo legt ze verbanden tussen de aantrekkingskracht van Bergsons filosofie op vrouwen en de maatschappelijke veranderingen rond hun opkomende kiesrecht aan het begin van de twintigste eeuw. Ook haar uitleg over Bergsons filosofie van het lachen gaat naadloos over in een beschrijving van zijn eigen droge gevoel voor humor.

Wat mij daarnaast opviel, is dat Herring in haar boek gebruikt maakt van gedetailleerde feiten om de lezer beter in de tijd te plaatsen. Met formuleringen als: ‘tien jaar voordat de indrukwekkende contouren van de Eiffeltoren aan de Parijse horizon verschenen’ of ‘amper een jaar nadat de Titanic in de ijzige diepte van de Atlantische Oceaan was verdwenen’roept ze een creatieve tijdsbeleving op die Bergson ongetwijfeld zou hebben toegejuicht. Het boek staat daarnaast vol goedgekozen citaten – vaak van leerlingen – die zijn levensstroom verder inkleuren.

Wel benadrukt Herring meermaals Bergsons bekendheid. Tijdens het lezen dacht ik een paar keer: “Ja ja, we begrijpen het nu wel!” Toch moest ik er ook om glimlachen, want dergelijke herhalingen over zijn aangename stem, toegankelijke manier van lesgeven en zijn enorme populariteit benadrukken – alhoewel soms wat overdreven – Herrings oprechte bewondering voor deze filosoof.

De onbesproken vragen

Hoewel het boek in zijn opzet is geslaagd, is er wel ruimte voor verbetering. Herring dwaalt soms af in historische uitweidingen, waardoor de persoon Bergson wat uit beeld raakt. Zijn privéleven blijft opvallend leeg. Zo had ik bijvoorbeeld meer willen lezen over de doofheid van zijn dochter Jeanne en hoe dit zijn ideeën over creativiteit en vrijheid beïnvloedde. Ook zijn ontmoeting met Albert Einstein – die botweg stelde dat “de tijd van een filosoof niet bestaat” – had dieper verkend mogen worden.

Daarnaast blijft Bergsons Les Deux Sources de la morale et de la religion (1932) onderbelicht, terwijl dit werk cruciaal is voor zijn latere denken over ethiek en religie. Ook zijn confrontatie met de analytische filosoof Bertrand Russell wordt slechts zijdelings genoemd.

Opvallend is ook dat Herring weinig zegt over de herwaardering van Bergson na zijn dood, bijvoorbeeld door Gilles Deleuze, die in Le bergsonisme (1966) het intuïtieve denken opnieuw onder de aandacht bracht. Voor lezers die Bergsons hedendaagse doorwerking en relevantie zoeken, kan dit als een gemis voelen.

Dit neemt niet weg dat Herrings boek zonder twijfel een oprechte aanbeveling verdient. Het is een grondig onderbouwde en meeslepende biografie van een ooit razend populaire denker. En daarmee ook meteen een daad van intellectueel herstel. Wie geïnteresseerd is in de relatie tussen tijd, ervaring en bewustzijn, zal in Bergson een fascinerende gids vinden en in Herring een uitstekende verteller.

Kortom, deze biografie nodigt uit om opnieuw tijd én ruimte te maken voor de filosofie van Henri Bergson. Zijn L’Évolution créatrice ligt inmiddels in mijn winkelmandje. Laat maar komen, die “gevaarlijkste man ter wereld”!

Emily Herring, Henri Bergson. Een biografie. Vertaald door Henk Moerdijk, Utrecht: Ten Have, 2025.

Winkelwagen
Scroll naar boven