Door: Jonas Meinderts
Het was maandagochtend. Ik stond op, sprong onder de douche en poetste mijn tanden. Zoals gebruikelijk – ik ben niet zo goed in elke dag mijn tanden poetsen – bloedde mijn tandvlees hier en daar een beetje. Ik trok me er niets van aan, tot ik een zwart vlekje op mijn kies zag. Een uur later had ik een afspraak bij de tandarts gemaakt en zat ik in de tram naar de plaatselijke tandenbeul. Gelukkig maar, bleek achteraf, want als ik later was gekomen zou de tand waarschijnlijk getrokken moeten worden en zat ik voor de rest van mijn leven vast aan een stuk porselein in mijn mond.
Zorgen leiden de handelingen van mensen. Dat is een universele waarheid te noemen. Zorgen om de gezondheid van je gebit dwingen je naar de tandarts te gaan. Zorgen om de planeet met betrekking tot de klimaatcrisis dwingen je afval te scheiden en elektrisch te rijden. Zorgen zijn de concrete manifestaties van het streven naar genot of van het voorkomen van leed. Zorgen vervullen dus een essentiële functie in het handelen van de mens. Een zorgeloos leven, een zorgeloze samenleving, is daarom onwenselijk.
Om te beginnen wil ik kort aandacht besteden aan mijn definitie van zorgeloosheid. Zorgeloosheid duidt op de afwezigheid van zaken die mensen met betrekking tot zichzelf, andere individuen of objecten bezighouden om iets te voorkomen, te verbeteren of in stand te houden. Zorgeloosheid kan dus alleen maar bestaan wanneer er geen vermijdbare en onvermijdbare vormen van leed zijn. Leed is het gevoel van ellendigheid dat zowel een oorzaak kan zijn van zorgen als een gevolg kan zijn van zorgen. Zorgen om iemand kunnen namelijk leiden tot een gevoel van ellendigheid, en datzelfde geldt voor een gevoel van ellendigheid dat kan leiden tot zorgen over bijvoorbeeld je eigen welzijn. Leed en zorgen zijn op die manier te zien als synoniemen van elkaar.
Ten eerste wil ik laten zien dat er alleen in een leven met zorgen sprake kan zijn van zingeving, en in een zorgeloos leven niet. Ik meen, en velen zullen dat ongetwijfeld met mij eens zijn, dat het leven zin krijgt door de relaties die je gedurende je tijd op aarde aangaat met andere mensen. Het leven krijgt bovendien zin door de ambitie en behoefte die je hebt om voor meer dan alleen voor je eigen leventje iets te betekenen. Deze zingeving zou niet bestaan in een wereld zonder zorgen. De mensen om je heen zouden niets, maar dan ook niets voor je betekenen als het je niet uitmaakt of zij gelukkig, boos, blij of verdrietig zouden zijn. Ambitie en behoefte om van de wereld een betere plek te maken voor jezelf én voor anderen zou je niet hebben in een wereld waarin je zorgeloos (lees: doelloos) door de duinen gaat struinen. In een leven zonder zorgen is er geen prikkel om meer te doen dan zuurstof inademen en koolstofdioxide uitademen. Er is geen zingeving in een leven waar geen zorgen zijn en daarom geen reden is om iets te doen of om iets te willen doen. Zelfs Hamlet, dat karakter van Shakespeare, wist dat.
Zorgeloosheid is niet wenselijk, want het is onmenselijk. De mens is een sociaal dier, een dier dat moet geven om, leven met, en kleven aan andere mensen. Zorgeloosheid zou ons die menselijkheid ontnemen. Zorgeloos zijn impliceert namelijk dat we ons ook geen zorgen maken om anderen, ons niet bekommeren om de zorgen van anderen. Zorgeloosheid maakt de mens apathisch en stort ons in een eenzame leegte waarin sociale connectie tussen individuen niet bestaat.
Ik wil het graag nog breder trekken. Het moet niet alleen over de zorgeloosheid van een individu gaan, maar ook over de zorgeloosheid van een samenleving en de eventuele gevolgen van zorgeloosheid voor een samenleving. Een zorgeloze samenleving impliceert namelijk een weerloze samenleving. Zonder zorgen is een samenleving, of zijn individuen binnen een samenleving niet gedwongen zich aan te passen aan een veranderende werkelijkheid waarin immer nieuwe, verrassende uitdagingen en dus zorgen ontstaan. En die werkelijkheid verandert, daar kom je niet onderuit, hoe zorgeloos je ook leeft. Een weerbare samenleving is dus een zorgvolle samenleving, geen zorgeloze.
Weerbaarheid is noodzakelijk om als samenleving te blijven voortbestaan. Op het moment dat een samenleving dus niet weerbaar, maar zorgeloos is, komt het bestaan van de samenleving in gevaar. Een samenleving moet wat zorgen hebben om te voorkomen dat veranderingen in de werkelijkheid leiden tot vermijdbaar en disproportioneel leed, of, nog erger, de ondergang van de samenleving.
Er is ook een filosofisch probleem met het stellen dat een zorgeloos leven onwenselijk is. Door te stellen dat een zorgeloos leven onwenselijk is, stel je dat het ook onwenselijk is te streven naar een zorgeloos leven. Want, hoe kan het goed zijn dat je streeft naar iets onwenselijks? Dat wringt, omdat zorgen dikwijls voortkomen uit leed en het voorkomen van leed. Zo kan men zorgen hebben over het eigen welbevinden in een periode dat er geleden wordt aan het overlijden van een dierbare. Of heeft men zorgen over het welbevinden van iemand anders en probeer je verder leed te voorkomen. Het streven naar zorgeloosheid impliceert dus dat men streeft naar het uitbannen van leed, maar volgens dat wat ik in de vorige alinea’s heb beargumenteerd, is dat onwenselijk. Daarom zou ik niet willen pleiten voor een zorgeloze samenleving of zorgeloos leven en ook niet voor een zorgvolle samenleving of zorgvol leven, maar voor een bezorgde samenleving en een bezorgd leven. Men moet bezorgd in deze context niet opvatten als ‘je bekommeren om wat al dan niet gaat gebeuren of is gebeurd’, zoals de definitie van bezorgdheid in het woordenboek luidt, maar men moet bezorgdheid in deze context opvatten als de gulden middenweg tussen zorgeloosheid en zorgvolheid.
Zoals Aristoteles in zijn deugdethiek betoogde dat bij elke ethische keuze de gulden middenweg gekozen moest worden en dat die keuze het best gemaakt kon worden door mensen die niet alleen geleerd waren, maar ook praktische levenservaring hadden, mensen die streetwise waren, betoog ik iets soortgelijks als het gaat om bezorgd leven. Het ideaal is dat men zowel op individueel vlak als op collectief vlak streeft naar het uitbannen van vermijdbare zorgen, zoals bijvoorbeeld financiële zorgen, en het accepteren van en het omgaan met onvermijdbare zorgen, zoals liefdesverdriet en het rouwen om een verloren familielid. Het accepteren van alle zorgen, zal leiden tot een leven of samenleving vol vermijdbaar leed. Het uitbannen van alle zorgen zal leiden tot een zorgeloos leven waarin de mens zijn menselijkheid verliest en weerloos is tegen onvermijdelijke veranderingen in de werkelijkheid. Beide zijn onwenselijk. Elke willekeurige lezer zal vanaf nu de terechte vraag hebben: ‘ja, leuk dit alles, maar hoe kan een individu of gemeenschap deze gulden middenweg bewandelen?’ Goed dat het gevraagd wordt!
Mijns inziens moet men vanaf jonge leeftijd gesteund worden door de gemeenschap in de zorgen die men ervaart. Tegelijkertijd heeft het collectief de verantwoordelijkheid het individu te leren dat sommige zorgen, sommige soorten leed onvermijdbaar zijn en het waard zijn om geleden te worden. Bovendien heeft het jonge individu de verplichting te willen leren van de gemeenschap en open te staan voor de steun van andere individuen en de gemeenschap. Noodzakelijk voor deze gang van zaken is dat het jonge individu wordt gesteund in diens zorgen en wordt onderwezen in het onnut van vermijdbare zorgen en het nut van onvermijdbare zorgen en is het menselijkste van de mens: de empathie. Zonder empathie zou de gemeenschap of het individu niet de noodzaak voelen of de verantwoordelijkheid nemen om het jonge, onervaren individu te onderwijzen en te steunen.
Nu even het verhaal van mijn tandarts tot en met de gulden middenweg in het kort. Een zorgeloos leven is onwenselijk, omdat het betekent dat de mens een apathisch leven leidt en elke vorm van zingeving verliest. Breder gezien maakt zorgeloosheid een samenleving ook weerloos tegen onvermijdelijke veranderingen in de werkelijkheid. ‘Zorgvol’ leven is echter ook onwenselijk, omdat het leidt tot vermijdbaar leed. Daarom pleit ik voor een bezorgd leven en een bezorgde samenleving. Ik pleit voor een empathische samenleving waarin de gemeenschap het individu leert omgaan met onvermijdbaar leed zoals rouw en liefdesverdriet, waarin het individu wil leren van het collectief, en ik pleit voor een samenleving waarin we vermijdbaar leed uitbannen. Ik pleit voor empathie en tegen apathie. Ik pleit voor liefdesverdriet en tegen ‘verliefdloosheid’. Ik pleit voor de tandarts en tegen een porseleinen kies.
