Veranderingen met blijvende gevolgen

Filosofie van de onveranderlijkheid.

Alles stroomt, niets blijft. De werkelijkheid waar wij deel van uitmaken is onderhevig aan voortdurende verandering. De natuur kent geen rust. Ontstaan en vergaan geldt niet alleen voor generaties planten, dieren en mensen, maar net zo goed voor bergketens, ijskappen en wereldzeeën. Ook op kleinere schaal, in ons dagelijks leven is verandering de regel. De koffie die voor je staat wordt koud als je hem niet opdrinkt en is verdwenen als je het wel doet, dus verloren is zij, net als het pasgebeitste tuinhuisje, je spaartegoeden, de winst van gisteren, je favoriete collega en het werelderfgoed. In de stroom van alles blijft niets.

Door René Gude
Aan deze stand van zaken zit onmiskenbaar een tragische kant aan. Een veranderlijke wereld is niet veilig, veranderlijke mensen zijn niet betrouwbaar, woorden die van betekenis veranderen zijn niet bruikbaar. ‘Het is moeilijk om naar de wereld te kijken en niet gedeprimeerd te raken en niet te denken dat het een slechte, meedogenloze plek is,’ zei David Malouf, ‘geluk is de triomf van de geest over de feiten.’ En dat kan. Onthechting is een voorbeeld van de triomf van de geest over de onbestendige feiten. Waarom zou je je tegen het verval verzetten, als je weet dat alles wat opkomt binnen afzienbare tijd ook weer neergaat? Train de geest om de bedrieglijkheid van de feiten te doorzien en ‘bedrijf onbedrijvigheid’ (Taoisme) of wordt ongenaakbaar voor de slagen van het lot (Stoïcijnen).
Een meer pragmatische overwinning op de feiten bereik je door gebruik te maken van de kracht van de vijand en deze voor eigen doeleinden in te zetten. De nietsontziende raderen van de tijd ruimen tenslotte ook op waar je van af wilt, daar kun je je voordeel mee doen. In dat licht verschijnen veranderingstrajecten, innovatieplatforms en de hang naar creatieve destructie, als judobewegingen die het oude helpen verdwijnen om het nieuwe te doen ontstaan. Veranderingszin en vernieuwingsdrang worden op die manier hulpmiddelen in het streven naar bestendiging. Alleen wat ons voortbestaan bedreigt wordt veranderd en vernieuwd. Stilzwijgend wordt aangenomen dat niet alles verandert, maar dat het slechte verandert wordt in iets goeds, zodat het geheel nog onverzettelijker wordt. Onze inspanningen zijn uiteindelijk gericht op het duurzame, permanente, onvergankelijke en liefst eeuwige. Wij willen ten diepste dat iets blijft zoals het is en zijn altijd op zoek naar continuïteit en duurzaam succes. Verzet tegen verandering is de kern van al onze ondernemingen.

Je maintiendrai

Iedere organisatie – een gezin, een bedrijf, een NGO, politieke partij, school, kerk, iedere stad, iedere staat – is het antwoord van coöperatieve wezens op de voortdurende verandering. Aan iedere organisatie ligt een idee ten grondslag, d.w.z. een ideale voorstelling die niet verandert, ook niet als de weerbarstige wereld zich daar voortdurend tegen verzet. Zo ligt aan ieder commercieel bedrijf het idee ‘winst maken’ ten grondslag. Dat idee verandert niet als er plotseling grote verliezen geleden worden. Het is juist de combinatie van het onveranderbare idee ‘winst maken’ en het negatieve saldo op de balans, die de ondernemer ontevreden maakt. De vraag naar de onveranderbaarheid van organisaties beheerst alle visie- en strategiebesprekingen, imago-onderzoeken, missionstatements en brandingsoperaties. Als organisaties verandering willen, gaat het altijd om de blijvende gevolgen.
Het onveranderlijke is de preoccupatie van alle mensen, of het nu over het onderhoud van het huis gaat, de belofte van trouw in voor- en tegenspoed of het verlangen naar een leven na de dood. Verandering is doorgaans onze natuurlijke vijand en maar zelden onze vriend.

Van vastigheid in de stof naar constanten in het denken.

Er is voor ons eigenlijk maar één interessante vraag: “Wat is het blijvende in alle verandering?” Nietzsche noemde ons levenslange protest tegen de veranderlijke wereld de “Wille zur Macht”, de nimmer aflatende pogingen om het ‘worden’ door het ‘zijn’ te vervangen. De vragen naar het wezen der dingen, naar de essentie, naar het zijn der zijnden gaan maar over één ding: het blijvende in alle verandering. Het zijn slechts strategische herformuleringen die een bevredigend antwoord naderbij moeten brengen.
Een blik op de ontstaansgeschiedenis van de filosofie leert dat het nooit over iets anders gegaan is. De eerste Griekse filosofen van rond 600 voor Chistus waren natuurfilosofen. Het Griekse woord voor de veranderlijke natuur is ‘fysis’ en hun pogingen om inzicht te krijgen in die veranderlijke natuur noemden zijn ‘fysica’. Het doel van de wetenschap fysica is het ontdekken van onveranderlijke regelmaat in de natuurlijke gebeurtenissen. De wereld wordt voorspelbaar als wij greep krijgen op haar harmonie, haar ritme, haar continuïteit, haar traagheid en haar permanentie. Alle wetenschap berust op de overtuiging dat er een inzichtelijke onveranderlijkheid schuil gaat onder het gewemel van afzonderlijke verschijnselen. Iedere wetenschapper moet uitgaan van het bestaan van orde in de wereld (kosmos) om de strijd aan te kunnen binden met de ogenschijnlijke chaos die ons omringt.
De Griekse wetenschap begint bij Thales van Milete. Hij behoorde tot de Ionische wetenschappers, zakenmensen en politici, die geen genoegen namen mythologische verklaringen voor onverwachte gebeurtenissen. Een zonsverduistering is voor hem geen eenmalige gril van Zeus, maar een standaardsituatie die altijd optreedt als de maan voor de zon schuift. En die momenten kon hij voorspellen. Thales zocht niet alleen naar verklaring voor de bewegingen van de hemellichamen, maar naar principes van continuïteit in het ondermaanse.
Thales zocht naar een materieel element, alom tegenwoordig en onvergankelijk, dat aanwezig is in alle veranderlijke verschijnselen. Hij meende dat element gevonden te hebben en formuleerde de uitspraak “Alles is water”. De betekenis van die merkwaardige uitspraak wordt duidelijk als je bedenkt dat water voorkomt in alle aggregatietoestanden (vast, vloeibaar en gasvormig), dat alle levende organismen voor het grootste deel uit water bestaan en dat het sociale leven van de rijke stadstaat Milete gebouwd was op water: Milete was een florerende zeehavenstad aan een riviermonding. Water was voor Thales het onveranderlijke element dat, zelf geur en kleurloos, alomtegenwoordig is in verschijnselen in de veranderlijke natuur (de fysis) en daardoor het vertrekpunt moest zijn voor een blijvend begrip van het geheel. Na Thales volgden er andere kandidaten voor het onveranderlijke in de natuur. Vuur bijvoorbeeld, de ‘stof’ die voor verdichting en verdunning van water kan zorgen en dus meer ‘elementair’ is. Aarde en lucht zijn ook voorgesteld, maar Anaximander kwam met het voorstel om ‘het onbepaalde’ (to apeiron) als oerstof aan te nemen, een onveranderlijk substraat waaruit alle ons bekende veranderlijke dingen gemaakt zijn. Dat was voor Democritus en Epicurus de stap op weg naar de hypothese van onzichtbare bouwsteentjes, atomen. Nog een stap verder gaan de natuurfilosofen die het idee ‘materie’ hebben opgegeven en die de mathematische verhoudingen zelf zien als het onveranderlijke. De wereld is kenbaar door haar onveranderlijke verhoudingen, die beschreven kunnen worden in betrouwbare, altijd geldende mathematische vergelijkingen. Pythagoras was niet geïnteresseerd in een of andere concrete driehoek, maar in het feit dat in alle rechthoekige driehoeken de zijden altijd een onveranderlijke verhouding hebben. Dat bracht hem op het idee van de harmonie der sferen, de samenhang van alles in één groot onveranderlijk geheel. Daarnaar is de hedendaagse fysica, die allang is afgestapt van het concept ‘materie’, nog steeds op zoek. Een nog op te stellen theory of everything is zuiver mathematisch en zal ons in staat stellen de vaste verhoudingen in alle veranderingen te voorspellen. Wij zullen dan nog steeds niet weten wat er gebeuren zal, maar wel voor eens en voor altijd hoe het zal gebeuren.
Het meest opmerkelijke is de geleidelijke verschuiving van materie naar kennis van verhoudingen. De queeste naar ‘vastigheid in de stof’ is verlaten en de aandacht verlegd naar ‘constanten in het denken’. Het is inderdaad de geest die een triomf over de feiten zal moeten bewerkstelligen.

De geest is sterk, de materie zwak

Alles wat we zien verandert voortdurend, zei Heraclitus, maar onze zienswijze niet. De logos, onze manier van kijken, onze begrippenkaders zijn onveranderlijk. Van het begrip begint de victorie. Rozen verwelken, schepen vergaan, maar het woord ‘roos’ en het begrip ‘schip’ blijven altijd onaangedaan. Heraclitus formuleerde rond 500 v.Chr. het fundamentele probleem van de samenhang tussen de woorden en de dingen: Hoe is het mogelijk dat onze concepten een min of meer duurzame geldigheid hebben, terwijl de waarneembare wereld toch voortdurend verandert? Hoe komen wij aan die concepten? Heraclitus is de empirist, die zoekt naar duurzaam inzicht (logos) in een voortdurend veranderlijke wereld, een bescheiden triomf over de feiten. Tijdgenoot Parmenides was radicaler. Hij maakte zich nauwelijks zorgen over de veranderlijke materie, maar verheugde zich buitensporig in de permanentie van onze begrippen. Zijn redenering was: Als begrippen constanter zijn dan de zintuiglijke werkelijkheid, count your blessings. Hij is de rationalist, die de zoektocht naar een vast begrip van de veranderlijke wereld juist laat beginnen bij de onveranderlijke ideeën, zoals ‘driehoek’ en ‘cirkel’. Die ideeën zijn perfecter dan enige werkelijke driehoek of cirkel ooit zal zijn. De logos is dus zeer wel in staat het onveranderlijke zijn te denken en voor zover wij het veranderingen waarnemen, bedriegt de waarneming ons en moeten we daarop niet vertrouwen. Een grootse overwinning van de geest op de feiten.
De denkbewegingen empirisme en rationalisme bestrijden elkaar tot op de dag van vandaag en steeds is het motief: Wat blijft er? Wat is betrouwbaar? Wat verandert er nou eens niet?

Het woord is een machtig heerser

Socrates (469-399 v.C.) ging voort in de lijn van Parmenides. Van natuurfilosofie is bij hem helemaal geen sprake meer, het gaat hem uitsluitend om ethiek en politiek. Je moet inderdaad de onveranderlijkheid in de ideeën zoeken en niet in de materie, maar je moet die ideeën vervolgens letterlijk ‘waar maken’, verwerkelijken, realiseren. Leden van een samenleving kunnen ideeën in praktijk brengen, door ze om te zetten in wetten, conventies, overeenkomsten, deugdvoorschriften, zeden & gewoonten. Het Griekse woord voor gewoonte is ‘ethos’ en de wetenschap van gewoonten en verbetering daarvan heet sinds Socrates ‘ethiek’. Het eindigt in de ethiek niet met het vinden van het idee, dan begint het geploeter pas. De ideeën ‘rechtvaardigheid’ en ‘schoon drinkwater voor iedereen’ zijn kunstmatig, een mensenmaaksel, ze groeien niet in de natuur. En toch is zo’n idee niet principieel onwerkelijk, want het kan gerealiseerd worden in een veranderlijke, onveilige wereld. Het kan in praktijk gebracht worden via het constante, berekenbare, betrouwbare gedrag van mensen die het over de redelijkheid van het idee eens zijn. Als je vastigheid wil in het ondermaanse, dan moet je onveranderlijke waarden doordenken en daar normen, plichten, gewoonten en deugden aan verbinden. Door met doorzettingsvermogen te volharden in de gewoontes (de ethos) verwerkelijk je onveranderlijke ideeën.
Dit socratische idee is ook de kern van de filosofie van Plato en is via hem in het hart van de westerse cultuur terecht gekomen. Immanuel Kant volgt dezelfde lijn van denken: ‘een idee is de voorstelling van iets volmaakts dat zich in de werkelijkheid nog niet voordoet’. Maak zo’n idee tot motief van je handelen en de realisering van het volmaaktere in de wereld wordt mogelijk.
Als je zo te werk gaat maak je optimaal gebruik van al je mogelijkheden, privé of in je organisatie. Het gevaarlijke, maar ook het aardige is dat wij de vrijheid hebben om ideeën niet aan de natuur te ontlenen. Zo wordt onze cultuur iets dat er niet zou zijn geweest als wij ons niet zo druk gemaakt hadden. Een cynicus zal zeggen ‘Had je maar niet zo druk gemaakt’.
Zo is een bedrijfscultuur de verdienste van het personeel en de directie. Een cynicus zal zeggen: ‘Ook als het een bende is’. De weg naar een herkenbaar karakter, via een ‘onveranderlijk idee’ en een ‘praktisch consequente handelwijze’ is niet zonder risico’s voor jezelf en je omgeving. De cynicus zal zeggen: ‘De terrorist heeft ook een onveranderlijk idee en een consequente handelwijze’.
De geest kan bijzonder akelige triomfen over de feiten behalen, maar dat maakt het gesprek over onze ideeën alleen maar belangrijker. Mensen komen zonder een plan, een voornemen, een plicht, een opdracht, een ideaal, kortom zonder ‘idee’ niet uit bed. Ideeën bestaan niet als wij ze niet verzinnen en ze richten niets uit als wij ze niet onvergankelijk maken in de praktijk. Dat hoef je niet te doen, er zijn respectabele alternatieven in de genoemde onthechting. Je kunt je ook terugtrekken in cynisme en er trots op zijn dat je ‘geen idee’ hebt. Maar waarom zouden sommigen niet iets blijvends tot stand proberen te brengen in een zinderend universum waar je de zin zo gauw niet van inziet? Daar lijkt mij ook geen bezwaar tegen.
Het mensengeslacht komt in dit leven niet dichterbij eeuwigheid en onveranderbaarheid, dan door tijdelijke verwerkelijking van niet-tijdelijke ideeën. Het is de menselijke waardigheid dat de onveranderbaarheid van ideeën, plannen, scenario’s, begrotingen, strategische plannen, Contracten, CAO’s, voornemens, trouwbeloftes, nuttige taboes, ouderlijke verantwoordelijkheid, beginselprogramma’s, regeerakkoorden, conventies, wetten en mensenrechten geheel aan ons zijn, zowel het ‘zich realiseren’ als de materiële ‘realisering’.
Mensenwaarde en civilisatie hangen af van de realiteitszin van onze richtinggevende idealen en van onze inzet om ze onvergankelijk te maken. De werkelijke uitdaging voor iedere menselijke onderneming is de continuïteit, het bevechten van de onveranderlijkheid tegen de keer in.