Jan Wijn (1934-2022)

Dit artikel is afkomstig uit het boek Speel! De lessen van Jan Wijn van Sandra Kooke.

‘Nee hoor, muziek wordt voor mij nooit bekend terrein.’

En dat is nou juist wat zijn oud-leerling en collega aan het Amsterdamse conservatorium Frank Peters misschien wel zijn beste eigenschap vindt. ‘Als ik op les kwam met een stuk waarover hij al veertig jaar had lesgegeven, zat hij toch weer in de partituur te kijken alsof hij de noten voor het eerst zag. En altijd toetste hij: klopt wat ik hoor met wat ik lees? Niet dat hij als een schriftgeleerde keek of je wel alle aanwijzingen precies opvolgde. Want je kunt toch nooit in absolute waarden uitdrukken wat er staat. Nee, het ging om de interpretatie van de partituur. Er staat wel een puntje op die noot, maar wat betekent dat puntje in deze context, bij deze componist? Betekent het hier staccato of alleen dat je de noot licht moet spelen of gesepareerd van de volgende? Of duidt het op een kleurverschil, zoals bij Debussy vaak het geval is?

Peters herinnert zich dat Wijn altijd openstond voor afwijkende ideeën. ‘Dat vond ik een van de leuke dingen van Wijn. Als ik een andere mening had, moest ik in vier van de vijf gevallen uiteindelijk Wijn gelijk geven. Maar het omgekeerde gebeurde ook: dan kwam ik een week later op les en speelde het opnieuw en dan zei hij: “Ik heb er afgelopen week over nagedacht. En nu ik je het hoor spelen, denk ik: ja, eigenlijk kan het zo ook.”

‘Ik vond het heel goed van hem is dat hij elke keer fris naar een stuk luisterde. Hij ging nooit uit van een vooropgezet idee, zei nooit: zó moet je het spelen. Hij wilde zich echt laten overtuigen door mijn interpretatie van de muziek. Zijn basisvoorwaarde was: de componist heeft gelijk, je moest dus eindeloos trouw zijn aan de partituur. Maar daar moest je vervolgens met grote openheid naar kijken.’

Hij heeft een vrije geest, zegt Peters over Wijn. En dat vindt Peters een bijzonder positieve eigenschap. ‘Je mag bij hem alles gebruiken dat de muziek dient. In veel culturen om ons heen, Frankrijk en Duitsland bijvoorbeeld, zijn ze veel behoudender en traditioneler. Jan plukt onbevangen uit alle tradities. Als je de muziek maar eerlijk tegemoet treedt. Die partituurgetrouwheid en onbevangenheid zou je gerust zijn nalatenschap kunnen noemen.’

De open blik die Peters beschrijft, herkennen anderen. Willem Brons vindt het bijzonder van Wijn dat hij zich altijd is blijven ontwikkelen, als musicus en als leraar. Brons: ‘Als je zo lang lesgeeft, krijg je vaak verstarring. Maar Jan is veranderd, mee geëvolueerd. Zijn kracht was altijd het ambachtelijke: hij leerde zijn studenten goed pianospelen, gaaf en verzorgd. Soms vond ik dat het meer inspiratie mocht hebben. Maar hij heeft in de loop van de tijd steeds meer diepte gekregen in zijn benadering van de muziek. Dat hoor ik terug bij zijn leerlingen.’

Niet alleen muziek, ook leerlingen benaderde Wijn met een opvallend open mind. Brons: ‘Hij had al vroeg waardering voor de Japanse leerlingen die ik op les had. Over hen bestond onder de leraren op school onenigheid. Sommigen vonden hun spel te afstandelijk, niet interessant. Dat heeft met de Japanse cultuur te maken. Wijn kon hun toewijding en concentratie wel waarderen. Ik vond hem bij examens behoorlijk objectief. In absolute zin is dat natuurlijk totaal onmogelijk, maar ik vind dat hij daar toch beter toe in staat was dan andere collega’s.’

Als hij zijn oud-collega moet beschrijven, komt bij Brons het woord ‘speels’ naar boven. ‘Jan is altijd jong en speels gebleven. Dat is een compliment. Als je artiest bent, moet je iets speels hebben. Muziek maken is een spel. Mensen die alle muziek ernstig nemen, vergeten de humor die bijvoorbeeld in Beethoven zit. Maar onder zijn vrolijke buitenkant zit iets diepers. Hij zat met levensvragen. Vandaar zijn hang naar zaken als Scientology. Ik denk dat hij daarmee heeft geprobeerd zin te geven aan zijn leven. Nu hij met Claartje is, is hij evenwichtiger geworden, hoeft hij zich ook niet meer over van alles en nog wat op te winden.’

Willem Brons kreeg bij zijn afscheid van het conservatorium een mooi en typerend gebaar van Wijn, dat opnieuw zijn leergierigheid toont. Hij gaf Brons een boekje waarin hij had geschreven: ‘Als collega en kunstbroeder heb ik veel van je geleerd.’ Brons: ‘Ik heb van je geleerd, dat zullen niet veel collega’s toegeven. Jan is een genereus man.’

Dat woord valt vaak als het over Wijn gaat. Een man met de gave om zich in dienst te stellen van de muziek en van zijn leerlingen. Zonder dat het om zijn eigen status gaat. Bewonderenswaardig, vindt Yang Yang Cai haar leraar om die reden.

De Jussens noemen hem ook genereus, maar om nou te zeggen dat hij alleen in dienst van de leerling staat, gaat hen te ver. Arthur: ‘Hij doet dat lesgeven ook voor zichzelf, hè. Vanwege zijn liefde voor de muziek en het vak van pianist. Hij kan niet anders. Daarom is hij nog zo scherp.’

Peters vindt hem een levenskunstenaar. Een levensgenieter die in staat is altijd de mooie en goede dingen te zien, die het leven de moeite waard maken. ‘Ik vind dat een geweldige boodschap aan de mensen om hem heen, ook aan zijn studenten.’

Vindt Wijn dat hij geslaagd is als leraar? Diepe zucht. ‘Misschien de laatste twintig jaar wel. Ik kan de laatste jaren veel meer aanreiken van wat er achter de noten zit dan daarvoor.’ Twintig jaar geleden was hij vijfenzestig. Wijn: ‘Ja, dat is zo. Anderen gaan met vijfenzestig juist met pensioen.’